<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:983</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T19:06:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-03-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-6528 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2014/102</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:983">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:983</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-03-26T16:11:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:983 Centrale Raad van Beroep , 26-03-2014 / 12-6528 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:983:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering WW-uitkering. Appellante heeft door houding en gedrag ondubbelzinnig blijk gegeven in de periode hier in geding niet beschikbaar te zijn geweest voor de arbeidsmarkt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:983:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>12/6528 WW </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 26 maart 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van </para>
    <para>15 november 2012, 12/3097 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat, hoger beroep ingesteld. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellante heeft nadere stukken ingezonden. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Eijmaal, kantoorgenoot van mr. Moszkowicz, en M. Cordes als tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers. Op verzoek van appellante zijn Y. Tokat en M. Tokat als getuigen gehoord. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Appellante heeft zich op 18 januari 2006 vanuit de Werkloosheidswet (WW) ziek gemeld en tot 16 januari 2008 een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet. Vervolgens is haar met ingang van 16 januari 2008 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Bij besluiten van 17 november 2011 en </para>
      <para>28 november 2011 heeft het Uwv de uitkering op grond van de Wet WIA met terugwerkende kracht tot 16 januari 2008 herzien en teruggevorderd omdat appellante volgens het Uwv niet ziek is geweest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Op 8 februari 2012 heeft appellante een WW-uitkering aangevraagd. Bij besluit van </para>
      <para>24 februari 2012 heeft het Uwv appellante een WW-uitkering ontzegd omdat zij niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. Bij besluit van 21 juni 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 februari 2012 ongegrond verklaard. Appellante heeft volgens het Uwv vanaf 16 januari 2008 geen recht op WW-uitkering omdat zij door houding en gedrag er ondubbelzinnig blijk van heeft gegeven dat zij niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank de vraag of ondubbelzinnig is komen vast te staan dat zij door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven, althans heeft doen blijken, in de periode in geding niet beschikbaar te zijn geweest voor de arbeidsmarkt ten onrechte bevestigend heeft beantwoord. Volgens appellante heeft haar psychische problematiek in samenhang met haar gebrek aan kennis van de Nederlandse taal er aan in de weg gestaan dat zij actief kon omzien naar werk en had het op de weg gelegen van het Uwv om haar adequate ondersteuning te bieden bij het zoeken naar passende arbeid. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <para>In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW is als een van de ontstaansvoorwaarden voor een recht op uitkering op grond van die wet bepaald dat de werknemer beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. Het begrip “beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden” in de zin van deze bepaling geeft een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Indien er overigens geen feiten en omstandigheden vallen aan te wijzen waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en het Uwv desondanks op grond van houding en gedrag van de betrokken werknemer tot een niet-beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, zal in zo’n geval ondubbelzinnig vast moeten staan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk heeft doen blijken dat hij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt (zie bijvoorbeeld CRvB 2 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1928). </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <parablock>
          <para>Voorts dient in een geval als het onderhavige, waarin geruime tijd na het ontstaan van de gestelde werkloosheid om een WW-uitkering wordt verzocht, terwijl daartoe in beginsel eerder de mogelijkheid bestond, op overtuigende wijze door betrokkene te worden aangetoond dat ten tijde van belang aan alle voorwaarden voor het recht op uitkering, waaronder beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, werd voldaan. In een dergelijke situatie kan het Uwv zich immers slechts achteraf een juist beeld trachten te vormen van de gestelde feiten en omstandigheden, waaronder houding en gedrag van betrokkene (zie bijvoorbeeld CRvB </para>
          <para>9 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3283). </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.</nr>
        <para>Evenals de rechtbank en het Uwv is de Raad van oordeel dat appellante door houding en gedrag ondubbelzinnig heeft blijk gegeven in de periode hier in geding niet beschikbaar te zijn geweest voor de arbeidsmarkt. Dit blijkt duidelijk uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten van onder meer 15 oktober 2007, 14 april 2009 en 16 januari 2012. Appellante heeft zich pas op 5 februari 2012 ingeschreven als werkzoekende, zij heeft geen sollicitaties verricht en zich evenmin ingeschreven bij uitzendbureaus. Enig bewijs van het tegendeel is door appellante niet aangedragen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.</nr>
        <para>Dat de psychische problematiek in samenhang met een gebrek aan kennis van de Nederlandse taal er bij appellante aan in de weg zou hebben gestaan om actief te zoeken naar werk en de verlengde ondersteunde rol van het Uwv zou zijn, is voor de onderhavige beoordeling niet relevant. Zoals is overwogen onder 4.1 geeft het begrip ‘beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden’ in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW een feitelijke toestand weer. Daarbij is niet van belang wat de oorzaak is van het niet beschikbaar zijn. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.5.</nr>
        <para>Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) H.G. Rottier</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) Z. Karekezi</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>IvR</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>