<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:915</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-03-25T10:12:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-03-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-3264 WMO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:915">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:915</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-03-24T15:02:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:915 Centrale Raad van Beroep , 05-03-2014 / 12-3264 WMO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:915:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het college heeft op goede gronden besloten om aan appellante  hulp bij het huishouden toe te kennen voor 2 uur en 30 minuten per week in de vorm van een pgb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:915:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>12/3264 WMO</para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 5 maart 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van </para>
    <para>30 mei 2012, 12/177 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te[woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeesters en wethouders van Heerlen (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. M.M.J.P. Penners, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 januari 2014. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Uland.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para>1.1. Het college heeft aan appellante bij besluit van 1 augustus 2011 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning hulp bij het huishouden over de periode van 1 augustus 2011 tot en met 1 augustus 2016 toegekend. De omvang van de hulp bedroeg 2 uur en 30 minuten per week en werd in de vorm van een persoonsgebonden budget verleend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Bij besluit van 19 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 1 augustus 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college aan de besluitvorming medische adviezen van de GGD-arts van 13 juli 2011 alsmede een rapport van de </para>
        <para>GGD-arts van 12 december 2011 opgesteld naar aanleiding van een door appellante overgelegde brief van 23 september 2011 van haar orthopedisch chirurg ten grondslag heeft gelegd. Appellante heeft een ernstige beperking in de vorm van coxarthrose aan de rechter heup, waardoor zij belemmerd wordt bij het verrichten van de zware huishoudelijke werkzaamheden en gedeeltelijk bij het verrichten van de lichte huishoudelijk werkzaamheden. Haar echtgenoot is evenmin in staat om die werkzaamheden te verrichten. Appellante en haar echtgenoot zijn volgens de vaste normen gecompenseerd. Daarbij is ervan uitgegaan dat haar echtgenoot in staat is de boodschappen te doen met behulp van zijn scootmobiel. Appellante heeft in beroep geen argumenten aangevoerd die het college hadden moeten nopen meer uren huishoudelijke hulp toe te kennen dan de toegekende 2 uur en 30 minuten. Daarbij is in aanmerking genomen dat appellante en haar echtgenoot zijn verhuisd naar een kleine gelijkvloerse woning met slechts één slaapkamer en niet is gebleken dat zij de overige huishoudelijke werkzaamheden, gedoseerd over de week, niet zouden kunnen verrichten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij door haar medische klachten zodanig beperkt is dat zij recht heeft op tenminste vijf uur hulp in de huishouding per week. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De Raad overweegt het volgende.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <para>De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het college op goede gronden heeft besloten om aan appellante huishoudelijke hulp toe te kennen voor 2 uur en 30 minuten per week. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <para>De Raad voegt hier nog aan toe dat het college ter zitting nader heeft toegelicht hoe de toegekende 2 uur en 30 minuten voor huishoudelijke hulp is berekend. Appellante heeft in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht en/of (met medische stukken) gemotiveerd waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Uit het besluit waarbij appellante in het kader van de Wet werk en bijstand tijdelijk volledig wordt vrijgesteld van de in die wet opgenomen arbeidsverplichtingen volgt in ieder geval niet dat haar medische situatie en de hoeveelheid toegekende huishoudelijke hulp onjuist zijn vastgesteld. Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en M.F. Wagner en </para>
      <para>D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) J.C. Hoogendoorn</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>RB</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>