<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:862</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-03-18T13:27:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-03-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-3588 AWBZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:862">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:862</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-03-18T10:18:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:862 Centrale Raad van Beroep , 12-03-2014 / 12-3588 AWBZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:862:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Persoonsgebonden budget is terecht geweigerd. Volgens de gemeentelijke basisadministratie beschikte appellant niet over een woonadres.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:862:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>12/3588 AWBZ </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 12 maart 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van </para>
    <para>23 mei 2012, 12/1007 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. L.S.J. de Korte, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014. Voor appellant is verschenen mr. De Korte. Het Zorgkantoor heeft zich, zoals vooraf bericht, niet laten vertegenwoordigen.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij besluit van 22 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het besluit van 21 oktober 2011, waarbij is geweigerd om aan appellant over de periode van </para>
        <para>8 januari 2011 tot en met 13 juli 2011 een persoonsgebonden budget (pgb) te verlenen, gehandhaafd. Hieraan is artikel 2.6.4, tweede lid, aanhef en onder g, van de Regeling subsidies AWBZ (Regeling) ten grondslag gelegd, omdat appellant in de periode in geding volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA) niet beschikte over een woonadres. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij in de periode in geding volgens de GBA weliswaar niet over een woonadres heeft beschikt, maar destijds wel degelijk in [woonplaats] heeft gewoond. Voorts beperkt artikel 2.6.4, tweede lid, aanhef en onder g, van de Regeling de reikwijdte van artikel 5 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en getuigt het strikt vasthouden aan de letterlijke tekst van de Regeling van excessief formalisme. Het Zorgkantoor heeft daarom ten onrechte geweigerd om aan hem een PGB te verlenen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <?linebreak?>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <para>De weigering om een pgb te verlenen op de grond dat volgens de GBA niet over een woonadres wordt beschikt beperkt de kring der verzekerden, bedoeld in artikel 5 van de AWBZ niet. De geïndiceerde zorg kan worden gerealiseerd in de vorm van zorg in natura of een pgb, zodat met voornoemde weigering alleen de mogelijkheid van zorgverlening in de vorm van een pgb wordt uitgesloten. Appellant blijft verzekerd ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de AWBZ en behoudt als verzekerde aanspraak op zorg.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <para>In de toelichting op artikel 2.6.4 van de Regeling staat dat het pgb meer solide gemaakt moet worden door onder andere een betere regulering van de instroom in de pgb-regeling en dat in dat licht de weigeringsgrond van artikel 2.6.4, tweede lid, aanhef en onder g, van de Regeling is toegevoegd. Tegen deze achtergrond volgt de Raad het standpunt van appellant dat het strikt vasthouden aan de letterlijke tekst van de Regeling getuigt van excessief formalisme niet. Nu appellant in de periode in geding volgens de GBA niet heeft beschikt over een woonadres kan zijn betoog dat hij in deze periode wel degelijk in [woonplaats] heeft gewoond niet tot het door hem gewenste resultaat leiden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.</nr>
        <para>Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. de Mooij als voorzitter en R.M. van Male en </para>
      <para>W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) H.J. de Mooij</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.C. Hoogendoorn</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JvC</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>