<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:4410</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-01-08T11:54:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">14-5832 WMO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:4410">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:4410</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-30T16:41:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2015-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:4410 Centrale Raad van Beroep , 24-12-2014 / 14-5832 WMO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:4410:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen procesbelang: Het college heeft ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank alsnog een besluit genomen en heeft daarbij aan appellante de maximaal door hem verschuldigde dwangsom toegekend. Van een ander belang dat ertoe noopt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond wordt verklaard is niet gebleken. In dat verband wordt erop gewezen dat appellante niet heeft gesteld dat zij schade heeft geleden, maar ook - gesteld dat die schade wel zou zijn geleden - een verzoek tot vergoeding daarvan kan worden gedaan in het nog aanhangige hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:4410:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>14/5832 WMO</para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 24 december 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak in het geding tussen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Appellante heeft beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft geen verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 12 november 2014, waar partijen niet zijn verschenen.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Bij uitspraak van 26 mei 2014, 13/4456, heeft de rechtbank Oost-Brabant het beroep van appellante tegen het besluit van het college van 22 augustus 2013, voor zover hier van belang, gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opdracht gegeven binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak een nieuw besluit te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij brief van 2 september 2014 heeft appellante het college wegens het overschrijden van de door de rechtbank gegeven beslistermijn in gebreke gesteld. Zij heeft het college verzocht binnen twee weken na dagtekening van deze brief een beslissing te nemen op het bezwaarschrift, bij het uitblijven waarvan zij aanspraak maakt op een dwangsom.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Op 7 oktober 2014 heeft appellante bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuwe beslissing op haar bezwaar. Omdat appellante tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep had ingesteld heeft de rechtbank dit beroep doorgezonden aan de Raad.</para>
      <para />
      <para>3. Op 5 november 2014 heeft het college alsnog ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit bekendgemaakt. Bij dat besluit is tevens de volgens het college verschuldigde dwangsom vastgesteld.</para>
      <para />
      <para>4. De Raad is van oordeel dat het beroep van appellante niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu zij bij beoordeling van het door haar ingestelde beroep geen belang meer heeft. Daartoe wordt overwogen dat het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank alsnog een besluit heeft genomen en daarbij aan appellante de maximaal door hem verschuldigde dwangsom heeft toegekend. Van een ander belang dat ertoe noopt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond wordt verklaard is niet gebleken. In dat verband wordt erop gewezen dat appellante niet heeft gesteld dat zij schade heeft geleden, maar ook - gesteld dat die schade wel zou zijn geleden - een verzoek tot vergoeding daarvan kan worden gedaan in het nog aanhangige hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank.</para>
      <para />
      <para>5. Er is aanleiding het college te veroordelen in de door appellante gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 121,75 aan verleende rechtsbijstand.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 121,75;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het college het in beroep betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J. Brand </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) D. van Wijk</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>JL</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>