<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:3535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-11-04T12:48:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-1505 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:3535">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:3535</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-10-31T15:14:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-11-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:3535 Centrale Raad van Beroep , 31-10-2014 / 13-1505 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:3535:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vaststelling aflossingscapaciteit. Niet gebleken dat de berekening van de maandelijkse aflossingscapaciteit onjuist is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:3535:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>13/1505 WAO </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 31 oktober 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
    <para>5 februari 2013, 12/4139 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens appellant heeft mr. S. Akkas, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Akkas en Z. Hamidi, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <para>1. Bij besluit van 10 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, gericht tegen het besluit van 16 maart 2012 waarbij de aflossingscapaciteit van appellant is vastgesteld, ongegrond verklaard en het maandelijks terug te betalen bedrag van </para>
    <para>€ 158,14 (netto) gehandhaafd.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv inzichtelijk heeft gemaakt waarop de maandelijkse aflossingscapaciteit van appellant is gebaseerd en waarom bepaalde door appellant gestelde kosten niet zijn meegenomen. Uit de berekening van het Uwv volgt dat appellant nog steeds kan beschikken over 90% van de bijstandsnorm. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het Uwv ten onrechte, en in strijd met het vertrouwensbeginsel, eerst nadat gedurende een periode van drie jaar een betalingsregeling van € 50,- per maand heeft gegolden, is overgegaan tot verhoging van dit bedrag, terwijl zijn financiële toestand niet is gewijzigd.</para>
    <para />
    <para>4. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en leidt de Raad niet tot een ander oordeel dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Niet is gebleken dat de berekening van de maandelijkse aflossingscapaciteit onjuist is. Ook in hoger beroep heeft appellant geen stukken ingebracht die zijn stelling onderbouwen dat zijn maandelijkse vaste lasten hoger zijn dan waarvan het Uwv is uitgegaan. Met betrekking tot de in hoger beroep herhaalde stelling dat sprake is van strijd met het vertrouwensbeginsel wordt eveneens aangesloten bij hetgeen daaromtrent door de rechtbank is overwogen. Daaraan wordt toegevoegd dat de enkele omstandigheid dat het Uwv gedurende drie jaar heeft ingestemd met het voorstel van appellant om maandelijks € 50,- af te lossen niet betekent dat daarmee bepaalde toezeggingen zijn gedaan die bij appellant de gerechtvaardigde verwachting hebben mogen wekken dat het aflossingsbedrag nooit gewijzigd zal worden. De stelling van appellant dat het Uwv zonder enige aankondiging is overgegaan tot wijziging van het aflossingsbedrag wordt niet gevolgd. Immers, het Uwv heeft appellant bij brief van </para>
    <para>28 februari 2012 een formulier Inkomens- en vermogensonderzoek toegestuurd om te onderzoeken of de destijds geldende betalingsregeling gehandhaafd kan blijven. Nadat appellant het formulier ingevuld retour had gezonden, is het Uwv overgegaan tot de onder </para>
    <para>1. genoemde besluitvorming, waarbij voor het eerst per 1 juni 2012 € 158,14 is ingehouden. Tot slot wordt opgemerkt dat het Uwv bij besluit van 7 augustus 2014, na een nieuw inkomens- en vermogensonderzoek, voorlopig akkoord is gegaan met het voorstel van appellant om maandelijks een bedrag van € 50,- af te lossen. Blijkens de ter zitting niet betwiste mededeling van de vertegenwoordiger van het Uwv is de financiële situatie van appellant gewijzigd, wat heeft geleid tot een verlaging van zijn aflossingscapaciteit. </para>
    <para>Geconcludeerd wordt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>31 oktober 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.C. Hoogendoorn</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JvC</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>