<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:291</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T10:26:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-491 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0019057">Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0019057&amp;artikel=4">Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 4</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0019057&amp;artikel=23">Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 23</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2014/60</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2014/48</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:291">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:291</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-02-04T15:10:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-02-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:291 Centrale Raad van Beroep , 24-01-2014 / 12-491 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:291:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering WIA-uitkering. Gelet op de rapporten van de bedrijfsarts en van de (bezwaar)verzekeringsarts, de brieven van de behandelend neuroloog, de neurologische expertise van prof. Jonker en de medische informatie van de zijde van appellante in onderling samenhang bezien, is de Raad van oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellant ten tijde hier van belang niet was uitgesloten en dat van een duurzame arbeidsongeschiktheid (…) niet kan worden gesproken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:291:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>12/491 WIA, 12/492 WIA </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 24 januari 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van </para>
    <para>14 december 2011, 11/172 en 11/180 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te[woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellante] te[vestigingsplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellanten heeft mr. F.B. van Batenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 11 juni 2012 een rapport van een bezwaarverzekeringsarts ingezonden.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2013. Namens appellanten is mr. Van Batenburg verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>mr. W. de Rooij-Bal.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Appellant is op 29 juli 2009 voor zijn werk als operator verpakken uitgevallen met </para>
      <para>nek- en schouderklachten met uitstraling naar de rechterarm en -hand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Op 20 juli 2010 heeft hij een aanvraag ingediend om met toepassing van een verkorte wachttijd in de zin van artikel 23, zesde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet WIA.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. Bij besluit van 17 september 2010 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen onder de overweging dat appellant niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4. Appellante, werkgeefster van appellant, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van </para>
      <para>17 september 2010. Bij besluit van 29 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard onder de overweging dat niet volledig is uitgesloten dat de belastbaarheid van appellant nog kan verbeteren, waardoor een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) niet aan de orde is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.1. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellant en van appellante tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft overwogen dat aan dit besluit een motiveringsgebrek kleeft nu uit het bestreden besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken niet blijkt of bij de beoordeling van de aanvraag om een WIA-uitkering met verkorte wachttijd al dan niet is uitgegaan van volledige arbeidsongeschiktheid. Uit het bestreden besluit blijkt dat is ingegaan op de re-integratie van appellant, terwijl arbeidskundige aspecten zoals re-integratie bij de beoordeling als de onderhavige geen rol spelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3. Vervolgens heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten omdat de conclusie van het Uwv dat voor appellant geen verkorte wachttijd van vier weken geldt, wordt onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat bij een aanvraag als de onderhavige ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA, beoordeeld moet worden of verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. In het rapport van de bezwaarverzekeringsarts is inzichtelijk gemotiveerd dat op basis van de medische stukken het niet volledig is uitgesloten dat de belastbaarheid nog kan verbeteren. Het gaat onder meer om informatie van de behandelend neuroloog van 13 september 2010, die heeft vermeld dat bij het laatste onderzoek de kracht aan de rechterhand iets beter lijkt dan een aantal maanden er voor. De door appellanten overgelegde brief van 8 november 2011 van de door hen ingeschakelde neuroloog, prof dr. C. Jonker, waarin deze heeft aangegeven dat de prognose van herstel van de handfunctie “infaust” is, heeft de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd geen aanleiding gegeven om tot een andersluidend standpunt te komen. Het Uwv heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de beperkingen van appellant niet duurzaam zijn, zodat hij niet in aanmerking komt voor een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>Appellanten zijn tegen deze uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen. Aangevoerd is dat bij appellant sprake is van een medisch stabiele of verslechterende situatie als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA. Daarvoor is verwezen naar de in hoger beroep overgelegde brief van 27 maart 2012 van prof. Jonker. In deze brief heeft prof. Jonker nader te kennen gegeven dat het op zichzelf genomen juist is dat “herstel van functie zo goed als uitgeslotenˮ, niet hetzelfde is als “volledig uitgesloten”. Hij voegt daaraan toe dat hij met de term “infauste prognose” bedoeld heeft dat herstel van de handfunctie zeer onwaarschijnlijk is. Er is sprake van een stabiel ziektebeeld met uitsluitend symptomatische behandelmogelijkheden, die niet leiden tot verbetering van de belastbaarheid. Voorts heeft hij gewezen op een artikel in het tijdschrift “Brain” waarin geconcludeerd wordt dat “overallˮ herstel van neuralgische amyotrofie, waaraan appellant lijdt, minder gunstig is dan wordt aangenomen. Namens appellanten is verder betoogd dat naast beoordeling van het tweede lid van artikel 4 van de Wet WIA, tevens dient te worden bezien of ingevolge artikel 4, derde lid, van de Wet WIA, op langere termijn al dan niet een geringe kans op herstel aanwezig is te achten. In dat verband wordt opgemerkt dat aan appellant met ingang van 15 september 2011 een IVA-uitkering is toegekend, omdat verbetering van de belastbaarheid op langere termijn als gering dient te worden beschouwd. Deze conclusie werpt tevens haar schaduw op onderhavige verkorte wachttijdperiode waarin de medische situatie stabiel en zonder kans op herstel is (geweest). Aan appellant dient dan ook een WIA-uitkering met een verkorte wachttijd te worden toegekend.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <para>De Raad ziet zich eerst ambtshalve voor de vraag gesteld of de rechtbank het beroep van appellant terecht ontvankelijk heeft geacht. Appellant heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 september 2010. Dat brengt op grond van artikel 6:13 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mee dat appellant geen beroep kan instellen. De aangevallen uitspraak komt derhalve in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de aangevallen uitspraak vernietigen voor zover appellant in zijn beroep is ontvangen en voor zover is bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht ad € 41,- dient te vergoeden en het beroep van appellant alsnog niet-ontvankelijk verklaren.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.</nr>
        <para>Ter beoordeling staat of de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand heeft gelaten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.</nr>
        <para>Met betrekking tot het hoger beroep van appellante overweegt de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2014, dat op grond van artikel 23, zesde lid, van de Wet WIA het einde van de verkorte wachttijd niet eerder is bereikt dan tien weken na indiening van de in geding zijnde aanvraag. Gezien het feit dat de aanvraag van appellant op 20 juli 2010 is ingediend, ligt die datum op 28 september 2010.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.5.</nr>
        <parablock>
          <para>De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat er geen aanleiding is de (bezwaar)verzekeringsartsen niet te volgen. De door appellante in beroep overgelegde medische informatie, waaronder de neurologische expertise van 8 november 2011van </para>
          <para>prof. Jonker, leidt niet tot de conclusie dat verbetering van de belastbaarheid is uitgesloten. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.</nr>
        <para>Aan de in hoger beroep bij brief van 5 april 2012 overgelegde informatie vallen evenmin aanknopingspunten te ontlenen voor een andersluidend standpunt. De bezwaarverzekeringsarts heeft in reactie op de in hoger beroep overgelegde informatie, waaronder de brief van 27 maart 2012 van prof. Jonker, bij rapport van 6 juni 2012 erop gewezen dat bij een aanvraag voor een WIA-uitkering met verkorte wachttijd getoetst dient te worden aan een (strengere) maatstaf, waarbij bezien dient te worden of de kans op herstel volledig uitgesloten is. Vervolgens heeft zij gemotiveerd aangegeven dat dit uit voornoemde brief van prof. Jonker niet kan worden afgeleid. Evenmin is dit het geval met betrekking tot de verwijzing naar het artikel in het tijdschrift Brain. Dit artikel heeft geen betrekking op de specifieke medische situatie van appellant, noch op de datum in geding. De omstandigheid dat aan appellant met ingang van 15 september 2011 een IVA-uitkering is toegekend, brengt niet mee dat de medische beoordeling zoals thans in geding onjuist zou zijn. Ten eerste betreft het hier een andere datum in geding en ten tweede betreft de onderhavige aanvraag een ander beoordelingskader. Tot slot slaagt evenmin de grond van appellante dat bij de onderhavige aanvraag eveneens zou moeten worden getoetst aan het derde lid van artikel 4 van de Wet WIA. In dat verband wordt verwezen naar de uitspaak van de Raad genoemd onder 4.2 alsmede naar zijn uitspraak van 6 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW1096. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.7.</nr>
        <para>Gelet op de rapporten van de bedrijfsarts en van de (bezwaar)verzekeringsarts, de brieven van de behandelend neuroloog, de neurologische expertise van prof. Jonker en de medische informatie van de zijde van appellante in onderling samenhang bezien, is de Raad van oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat verbetering van de belastbaarheid van appellant ten tijde hier van belang niet was uitgesloten en dat van een duurzame arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet WIA niet kan worden gesproken.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.8.</nr>
        <para>De overwegingen in 4.2 tot en met 4.7 leiden tot de conclusie dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit terecht in stand heeft gelaten. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, wordt bevestigd.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep van appellant ontvankelijk is geacht en voor zover daarbij is bepaald dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 41,- dient te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 januari 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.C. Bruning</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) I.J. Penning</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JvC</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>