<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:248</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-01-31T12:00:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-01-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-01-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-6728 WUBO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:248">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:248</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-01-30T15:42:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-01-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:248 Centrale Raad van Beroep , 30-01-2014 / 12-6728 WUBO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:248:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek om terug te komen van weigering Wubo-uitkering toe te kennen. Geen nieuwe feiten of omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:248:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>12/6728 WUBO</para>
  <para>Centrale Raad van Beroep</para>
  <para>Enkelvoudige kamer</para>
  <parablock>
    <para>In het geding tussen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellante] te [woonplaats] (België) (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 30 januari 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. E.R. Schenkhuizen, advocaat, beroep ingesteld tegen het  besluit van verweerder van 27 september 2012, kenmerk BZ01441709 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).</para>
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2013. Daar is namens appellante mr. Schenkhuizen verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para>1.1. Appellante is in 1932 geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. In april 2005 heeft zij bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van de toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden als bedoeld in artikel 19 van de Wubo, een periodieke uitkering en diverse voorzieningen. Die aanvraag heeft appellante gebaseerd op gezondheidsklachten die het gevolg zouden zijn van haar oorlogservaringen in het toenmalige Nederlands-Indië. Zij heeft daarbij gesteld dat zij zich zowel in de oorlogsperiode als na de capitulatie van Japan bevond in het kloosterkamp te Bogor.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Verweerder heeft op deze aanvraag afwijzend beslist bij besluit van 27 juni 2005, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 28 februari 2006, op de grond dat niet is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in </para>
      <para>artikel 2 van de Wubo. Hierbij is overwogen dat het Kloosterkamp maar gedurende een korte periode, te weten van 14 tot 18 oktober 1945, de status had van extremistenkamp en dat niet is komen vast te staan dat appellante in die periode in het Kloosterkamp heeft verbleven. Het tegen besluit van 28 februari 2006 ingestelde beroep is bij uitspraak van de Raad van </para>
      <para>11 januari 2007 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. In augustus 2008 heeft appellante een verzoek om herziening van het besluit van </para>
      <para>28 februari 2006 ingediend. Hierop heeft verweerder afwijzend beslist bij besluit van </para>
      <para>16 oktober 2008 op de grond dat de nieuw ingebrachte getuige niets kon verklaren omtrent het exacte tijdstip waarop appellante in het Kloosterkamp was aangekomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4. In juli 2009 heeft appellante weer een verzoek om herziening van het besluit van </para>
      <para>28 februari 2006 ingediend. Hierbij heeft zij, naast verklaringen van al in de eerdere procedure opgevoerde getuigen, verklaringen ingediend van haar behandelend psychiater, haar huisarts en een zoon van een Indonesische arts, die heeft verklaard dat zijn vader appellante behandeld heeft in het jaar 1945 van 14 tot 18 oktober in het Kloosterkamp in Bogor. Bij besluit van 13 oktober 2009 heeft verweerder hierop afwijzend beslist, welke afwijzing na bezwaar is gehandhaafd bij besluit van 2 juli 2010.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.5. Het door appellante tegen het besluit van 2 juli 2010 ingestelde beroep is bij uitspraak van de Raad van 1 december 2011, nummer 10/5334 WUBO, ongegrond verklaard. De Raad heeft hierbij overwogen dat de verklaring van de behandelend huisarts en psychiater geen rol spelen bij de beoordeling of er sprake is geweest van een calamiteit zoals bedoeld in artikel 2 van de Wubo. De medische aspecten komen pas aan de orde als is vastgesteld dat er zich tijdens de oorlog en de daarop volgende Bersiap-periode calamiteiten hebben voorgedaan in de zin van de Wubo. De verklaring van de zoon van de Indonesische arts betrof een verklaring “van horen zeggen”, die niet door objectieve gegevens werd bevestigd. Voor zover nieuwe getuigenverklaringen waren overgelegd, maakten deze naar het oordeel van de Raad niet aannemelijk dat appellante juist in de hier van belang zijnde periode in het Kloosterkamp heeft verbleven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.6. In augustus 2011 heeft appellante opnieuw verzocht om herziening, waarop verweerder bij besluit van 18 november 2011 afwijzend heeft beslist op de grond dat bij het verzoek geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn ingebracht. In bezwaar is namens appellante een verklaring ingediend van het stadsbestuur van Bogor. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.1.</nr>
        <para>De thans in geding zijnde afwijzing is gebaseerd op de overweging dat de in bezwaar overgelegde verklaring van het stadsbestuur van Bogor niet uit eigen wetenschap, maar op aanwijzing van appellante is opgemaakt. Nog steeds achtte verweerder niet bevestigd dat appellante in de periode van 14 tot 18 oktober 1945 geïnterneerd is geweest in het Kloosterkamp in Bogor. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.</nr>
        <para>De Raad acht dit standpunt van verweerder in rechte houdbaar. De tekst van de in bezwaar overgelegde verklaring van het stadsbestuur van Bogor luidt, voor zover hier van belang als volgt:</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>“Ondergetekende, Het Hoofd van de Wijk Pabaton, Subdistrict Bogor Tengah, Stad Bogor, verklaart dat: bovengenoemde persoon (appellante) een Nederlands staatsburger is die ooit aan de Jalan Pengadilan RT.02 RW.01, Wijk Pabaton heeft gewoond en dat op grond van de verklaring van de betrokkene zij van 14 oktober 1941 tot en met 18 oktober 1945 in het Kloosterkamp (Regina Pacis Bogor) heeft vastgezeten…”</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Gezien de tekst van deze verklaring kan niet anders worden geconcludeerd dan dat die verklaring op aanwijzing van appellante is opgesteld. Uit niets blijkt dat uitgebreid bronnenonderzoek is gedaan, zoals van de zijde van appellante is betoogd. Hiermee is geen sprake van feiten of omstandigheden waarin verweerder aanleiding had moeten vinden met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wubo tot herziening over te gaan.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.</nr>
        <para>Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) A. Beuker-Tilstra</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) S.K. Dekker</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>