<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:2369</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-08-08T10:30:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-5110 WW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:2369">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:2369</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-16T11:31:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:2369 Centrale Raad van Beroep , 25-06-2014 / 12-5110 WW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:2369:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing vergoeding van materiële schade. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij de door haar gestelde winst werkelijk zou hebben behaald, als de besluiten van 22 april 2008 en 7 mei 2008 achterwege zouden zijn gebleven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:2369:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>12/5110 WW </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 25 juni 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Meervoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van <?linebreak?>8 augustus 2012, 08/1942 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. P.C.C. Oudhoff, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Oudhoff. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>mr. P.J. Reith.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>Appellante ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Bij besluit van <?linebreak?>22 april 2008 heeft het Uwv deze uitkering herzien wegens door appellante verrichtte werkzaamheden als zelfstandige en een gedeelte van de ontvangen uitkering van appellante teruggevorderd. Ook is appellante bij besluit van 7 mei 2008 een boete opgelegd. Het tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard. Hangende de beroepsprocedure is het Uwv alsnog geheel aan appellante tegemoetgekomen. Hierop heeft appellante het beroep ingetrokken, met het verzoek aan de rechtbank om het Uwv te veroordelen in de proceskosten en tot vergoeding van door haar geleden schade.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld in de kosten van het beroep en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 1995 (ECLI:NL:HR:1995:ZC1608), heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij zodanig heeft geleden onder de onrechtmatige besluiten van 22 april 2008 en 7 mei 2008 dat sprake was van een aantasting in haar persoon als bedoeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van immateriële schade is daarom afgewezen. Ten aanzien van de verzochte vermogensschade heeft de rechtbank geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat er een zodanig verband bestaat tussen de onrechtmatige besluiten en de winstdaling, dat deze schade aan het Uwv kan worden toegerekend. De vraag of appellante daadwerkelijk materiële schade heeft geleden, kon naar het oordeel van de rechtbank daarom in het midden blijven. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.</nr>
        <para>In hoger beroep heeft appellante betoogd dat de rechtbank haar ten onrechte geen schadevergoeding heeft toegekend. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij immateriële schade heeft geleden, heeft appellante opnieuw verwezen naar de rapporten van psycholoog H. Sinkbaek van 12 mei 2009 en bezwaarverzekeringsarts A. Colijn van 7 juli 2009. Ter toelichting van haar materiële schade heeft appellante, onder verwijzing naar de aangiftes inkomstenbelasting, aangevoerd dat de winst uit haar onderneming tot 2008 een stijgende lijn vertoonde. Door de onrechtmatige besluiten heeft deze stijgende lijn zich volgens haar niet voortgezet. Zij heeft gesteld over de jaren 2008 en 2009 een schade te hebben geleden van € 25.000,-. Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geen causaal verband aangenomen tussen de onrechtmatige besluiten en de door appellante gestelde schade. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.</nr>
        <para>Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <para>In hoger beroep speelt alleen de vraag of de rechtbank terecht het verzoek van appellante om veroordeling tot schadevergoeding heeft afgewezen. Ter zitting is vastgesteld dat nog ter beoordeling voorligt het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens psychisch leed dat de onterechte terugvordering van het Uwv bij appellante teweeg heeft gebracht, en het verzoek om vergoeding van gederfde winst over de jaren 2008 en 2009. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <para>Het oordeel van de rechtbank over het verzoek om vergoeding van de immateriële schade, en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, waaronder die over de rapporten van Sinkbaek en Colijn, worden onderschreven. Daarom wordt er mee volstaan hiernaar te verwijzen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.</nr>
        <para>Winstdervingsschade dient in beginsel concreet te worden begroot. Voor vergoeding komt dan ook niet in aanmerking de winst die appellante mogelijkerwijs had kunnen maken, maar alleen de winst waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij die daadwerkelijk zou hebben gemaakt als het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. Door alleen te verwijzen naar winst die zij in het verleden zou hebben gemaakt en een hiervan afgeleide winstverwachting voor de toekomst, nog daargelaten de betrouwbaarheid van een en ander, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij de door haar gestelde winst werkelijk zou hebben behaald, als de besluiten van 22 april 2008 en 7 mei 2008 achterwege zouden zijn gebleven. Het verzoek van appellante om veroordeling van het Uwv tot vergoeding van materiële schade is daarom terecht afgewezen. De grond, dat de rechtbank ten onrechte geen causaal verband heeft aangenomen tussen de onrechtmatige besluiten en de winstdaling, behoeft daarom geen bespreking meer.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.</nr>
        <para>Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd voor zover aangevochten.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en </para>
      <para>C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) G.A.J. van den Hurk</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) G.J. van Gendt</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>RB</title>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>