<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2014:1979</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-06-17T16:53:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-06-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-3304 WUBO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:1979">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2014:1979</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-06-16T09:44:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-06-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2014:1979 Centrale Raad van Beroep , 12-06-2014 / 13-3304 WUBO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2014:1979:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing herhaalde aanvraag WUBO-uitkering. Verergering klachten. Gezien het aanzienlijke tijdsverloop na het oorspronkelijke medisch onderzoek, is er ten onrechte geen hernieuwd medisch onderzoek verricht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2014:1979:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>13/3304 WUBO </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 12 juni 2014</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Uitspraak in het geding tussen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 juni 2013, kenmerk BZ01521546 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2014.  Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, als zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>1.1.</nr>
        <para>Appellant, geboren in 1933 in het toenmalige Nederlands-Indië, heeft in september 2003 een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de Wubo. De aanvraag is afgewezen bij besluit van 18 oktober 2004. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 februari 2005. Verweerder heeft aanvaard dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, te weten internering in De Wijk te Malang tijdens de Bersiap-periode. De aanvraag is echter afgewezen op de grond dat bij appellant geen sprake is van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld. Daartoe is overwogen dat de psychische klachten (bestaande uit enkele kenmerken van een PTSS) niet hebben geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. De lichamelijke klachten (prostaatklachten, hoge bloeddruk en allergieklachten) zijn door verweerder niet aan het oorlogsgeweld toegeschreven. Tegen het besluit van 16 februari 2005 is geen beroep aangetekend. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.2.</nr>
        <para>In juni 2012 heeft appellant opnieuw verzocht om toekenningen op grond van de Wubo. Dat verzoek is afgewezen bij besluit van 27 juli 2012. Dit besluit is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit. In dat verband heeft verweerder overwogen dat geen aanleiding bestaat de eerdere besluiten te herzien omdat ook nu niet is gebleken dat bij appellant sprake is van blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.1.</nr>
        <para>Het in het bestreden besluit neergelegde standpunt van verweerder berust op een tweetal medische adviezen. De aanvraag van appellant is in eerste instantie voorgelegd aan zijn geneeskundig adviseur, de arts R. Loonstein. Hij oordeelt dat, nu door appellant op de opgave gezondheidsklachten is aangegeven dat zijn klachten ongewijzigd/verminderd zijn, niet geconcludeerd kan worden dat er thans wel sprake zou zijn van psychische klachten die hebben geleid tot invaliditeit. Het namens appellant ingediende bezwaar is om advies voorgelegd aan een andere geneeskundige adviseur, de arts A.J. Maas. Deze heeft het advies van Loonstein onderschreven.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.</nr>
        <para>Verweerder heeft ter zitting van de Raad toegelicht dat er indien bij een herhaalde aanvraag melding wordt gemaakt van verergering van de medische klachten, hernieuwd medisch onderzoek pleegt te worden verricht. Omdat appellant op het bij zijn aanvraag ingediende, zogeheten formulier opgave gezondheidsklachten bij de vraag naar deze eventuele verergering het hokje “onveranderd of verminderd” heeft aangekruist, is dat in dit geval niet gebeurd. Dat valt op zichzelf beschouwd te billijken. De Raad is echter van oordeel dat in de bezwaarfase ten onrechte aan deze keuze is vastgehouden. De toelichting die is opgenomen in het aanvullend bezwaarschrift van 31 december 2012 geeft er immers wel degelijk blijk van dat appellant een verergering ervoer van de klachten zoals die in de medische rapportage uit 2004 zijn omschreven. Dat het woord “verergeren” in het bezwaarschrift niet is gebruikt, maakt dat niet anders en rechtvaardigt dus niet dat het formulier opgave gezondheidsklachten ook in de bezwaarfase nog leidend voor verweerder is geweest. De Raad neemt daarbij mede het aanzienlijke tijdsverloop na het oorspronkelijke medisch onderzoek in aanmerking. Er is dus ten onrechte geen hernieuwd medisch onderzoek verricht.   </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.</nr>
        <para>Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder zal een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Ter uitvoering van onderhavige uitspraak kan, waarmee namens appellant ter zitting is ingestemd, worden aangesloten bij het namens verweerder ter zitting in het vooruitzicht gestelde medisch onderzoek dat zal worden verricht naar aanleiding van de in maart 2014 bij verweerder ingediende (hernieuwde) aanvraag. Gelet op deze nieuwe aanvraag ziet de Raad een meer doelmatige wijze om te komen tot definitieve geschilbeslechting in dit geval niet binnen zijn bereik. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <parablock>
        <para>Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden begroot op € 11,68 aan reiskosten van appellant in beroep en € 1.461,- wegens verleende rechtsbijstand in bezwaar en beroep. Het totaalbedrag van de proceskostenveroordeling is </para>
        <para>€ 1.472,68.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 juni 2013;</para>
    <para>- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van</para>
    <para>  deze uitspraak;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.472,68;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 44,- vergoedt.  </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>C.E.M. van Paddenburgh als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) B.J. van de Griend</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) C.E.M. van Paddenburgh</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>