<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:CA0457</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-23T11:17:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">CA0457</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-05-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-5839 WSF </psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:CA0457">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:CA0457</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-22T17:14:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-05-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:CA0457 Centrale Raad van Beroep , 17-05-2013 / 12-5839 WSF </dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:CA0457:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vordering wegens meerinkomen over 2009, omdat appellant in dat jaar meer heeft bijverdiend dan de bijverdiengrens. Geen sprake van schending art. 1 EVRM. Ook het beroep op het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel slaagt niet. De stelling dat appellant onvoldoende is voorgelicht over de gevolgen van het behoud van de nullening mist feitelijke grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:CA0457:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>12/5839 WSF </para>
    <para />
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van </para>
      <para>19 september 2012, 12/3330 (aangevallen uitspraak)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (appellant)</para>
    <para />
    <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 17 mei 2013</para>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. J.S. Paulus van Pauwvliet, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>De Minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Paulus van Pauwvliet. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.</para>
    <para />
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant heeft - voor zover hier van belang - in 2009 studiefinanciering genoten, aanvankelijk in de vorm van een basisbedrag prestatiebeurs en aanvullende prestatiebeurs, aansluitend in de vorm van een nullening. Over het gehele jaar heeft hij een OV-studentenkaart in zijn bezit gehad.</para>
    <para />
    <para>1.2. De Minister heeft aan appellant bij besluit van 21 januari 2012 melding gemaakt van het ontstaan van een vordering wegens meerinkomen over 2009, omdat appellant in dat jaar meer heeft bijverdiend dan de bijverdiengrens. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 maart 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft - kort en zakelijk weergegeven - in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank niet al zijn beroepsgronden afdoende heeft besproken. Hij heeft die beroepsgronden herhaald en nader toegelicht.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd met betrekking tot de strijdigheid van de vaststelling van de vordering met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vormt, althans in essentie, een herhaling van hetgeen hij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft deze grond in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat zij niet slaagt. De beroepsgrond miskent dat aan appellant studiefinanciering is toegekend. Dat er van september tot en met december 2009 feitelijk geen bedrag aan hem is uitbetaald doet daar niets aan af, te meer niet nu kan worden vastgesteld dat aan appellant - ook - in die periode een OV-studentenkaart ter beschikking is gesteld, die appellant in de gecontroleerde periode in zijn bezit heeft gehad. De vordering van de Minister is mede gebaseerd op het bezit van deze kaart. Appellant miskent bovendien dat hij niet zijn inkomsten uit studiefinanciering moet “inleveren”. De opgelegde vordering is autonoom en laat het recht op studiefinanciering onaangetast. Bovendien had appellant - ter voorkoming van de vordering - zijn studiefinanciering kunnen stopzetten of beëindigen.</para>
    <para />
    <para>4.2. Ook het beroep op het zorgvuldigheids- en vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellant heeft studiefinanciering aangevraagd en deze is hem toegekend. Toen de maximale termijn voor het toekennen van prestatiebeurs was bereikt heeft appellant, die zijn studie op dat moment vervolgde, zijn aanvraag niet beëindigd. Hij heeft daarnaast zijn OV-studentenkaart behouden. Ook die kaart is, gelet op artikel 3.6, tweede lid, van de Wet studiefinanciering 2000, aan te merken als studiefinanciering. In navolging van de Minister wijst de Raad op zijn uitspraken van 14 juni 2007, LJN BA8252, en 15 juni 2007, LJN BA8258. Het besluit van 8 augustus 2009, dat appellant is toegezonden voordat de nullening werd verstrekt, maakt ook melding van de verstrekking van de OV-studentenkaart bij de nullening. Ook de voorlichtingsbrochure van de Minister is daarover duidelijk. De stelling dat appellant onvoldoende is voorgelicht over de gevolgen van het behoud van de nullening mist dus feitelijke grondslag. De door appellant ter zitting overgelegde informatie van de website van de Minister leidt evenmin tot een andere conclusie.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) G.J. van Gendt</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>