<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:CA0066</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-23T10:52:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">CA0066</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-05-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-4411 ANW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:CA0066">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:CA0066</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-22T17:13:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:CA0066 Centrale Raad van Beroep , 14-05-2013 / 11-4411 ANW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:CA0066:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verlaging AOW-uitkering. Gezamenlijke huishouding. De gegevens, zoals die naar voren komen uit de checklist en de handhavingsrapportage van 11 januari 2011, over de woon- en leefsituatie van appellant en betrokkene bieden een voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake is van een wederzijdse zorg, die hetgeen in een commerciële relatie gebruikelijk is ver te boven gaat.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:CA0066:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/4411 ANW</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 17 juni 2011, 11/1637 en 11/1638 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (appellant)</para>
    <para />
    <para>de raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak 14 mei 2013.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Namens appellant heeft mr. R.C. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Svb heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Mr. Van den Berg heeft een nader stuk ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. De Svb heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. </para>
      <para>1.1. Appellant ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Op 22 augustus 2001 hebben appellant en [S.] ([S.]) een kostgangersovereenkomst ondertekend, inhoudende dat [S.] van appellant kost en inwoning krijgt in de woning van appellant tegen een kostgeld van fl. 500,-- per maand. [S.] ontving vanaf 1 mei 2002 een ongehuwdenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Bij onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant en [S.] in 2007, 2008 en 2009 heeft de Sociale verzekeringsbank vastgesteld dat er sprake is van een commerciële relatie tussen appellant en [S.]. </para>
    <para />
    <para>1.3. Op 10 januari 2011 hebben twee medewerkers van de Sociale verzekeringsbank in het kader van een heronderzoek naar de woon- en leefsituatie van [S.], een bezoek afgelegd op het woonadres van appellant en [S.]. Tijdens het bezoek hebben de medewerkers [S.] gehoord en een checklist ingevuld ten behoeve van de beoordeling van de vraag of al dan niet een gezamenlijke huishouding wordt gevoerd. Niet alleen [S.], maar ook appellant heeft de checklist ondertekend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.4. Bij besluit van 2 februari 2011 heeft de Svb bepaald dat appellant na 31 januari 2011 niet langer een Anw-uitkering krijgt omdat uit onderzoek is gebleken dat hij geen commerciële relatie meer voert met [S.] en daarom niet meer voldoet aan de voorwaarden voor deze uitkering. Het AOW-pensioen van [S.] is vanaf maart 2011 verlaagd. Bij besluit van 18 mei 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 2 februari 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant met [S.] een gezamenlijke huishouding voert. </para>
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Evenals in beroep is aangevoerd, blijft appellant van mening dat het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering berust, omdat een toegespitste motivering ontbreekt dat aan het zorgcriterium is voldaan en hij bestrijdt dat aan dat criterium is voldaan. Appellant betwist dat hij en [S.] regelmatig gezamenlijk maaltijden nuttigden, dat [S.] meer dan sporadisch als passagier meereed in zijn auto en dat zij regelmatig de avonden gezamenlijk doorbrachten. Volgens appellant laat de ingevulde checklist te weinig ruimte open voor uitleg en nuancering. Bovendien was [S.] tijdens het huisbezoek onder druk gezet en overstuur. Daarbij heeft de Svb er ten onrechte betekenis aan gehecht dat appellant zijn handtekening onder de checklist heeft gezet, omdat het onderzoek de uitkeringssituatie van [S.] betrof en appellant de strekking en de gevolgen van het zetten van zijn handtekening niet heeft kunnen overzien. Daarnaast is appellant van mening dat de rechtbank ten onrechte het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel heeft verworpen. In dit verband heeft appellant gewezen op het besluit van de Svb van 18 december 2012, waarbij aan hem voorlopig AOW is toegekend, waarin melding is gemaakt dat zijn Anw-uitkering doorloopt tot 17 februari 2013.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. In artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw - voor zover hier van belang - is bepaald dat het recht op nabestaandenuitkering eindigt indien de nabestaande een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Ingevolge het tweede lid van artikel 16 van de Anw eindigt het recht met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de nabestaande een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. </para>
    <para />
    <para>4.2. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 18 mei 2011, LJN BQ6613) dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang. </para>
    <para />
    <para>4.3. Niet in geschil is dat appellant en [S.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. </para>
    <para />
    <para>4.4. In het bestreden besluit zijn onder vijftien punten gegevens van de woon- en leefsituatie van appellant en [S.] vermeld, die volgens de Svb bij het huisbezoek zijn gebleken. In het bestreden besluit is verder, onder verwijzing naar het opgestelde verslag, gerefereerd aan de toelichting die appellant en [S.] tijdens de hoorzitting op een aantal van deze vijftien punten hebben gegeven. Het bestreden besluit vermeldt vervolgens dat de Svb op grond van “alle voorgaande feiten” zich op het standpunt stelt dat aan het zorgcriterium is voldaan. Uit het bestreden besluit blijkt evenwel niet of de Svb uitgaat van de bevindingen van het onderzoek bij het huisbezoek en geen gewicht toekent aan de daarvan afwijkende verklaringen die appellant en [S.] tijdens de hoorzitting hebben afgelegd of dat de Svb het standpunt inneemt dat ook met inachtneming van de verklaringen tijdens de hoorzitting, waarbij de bevindingen bij het huisbezoek deels werden ontkend of verregaand werden genuanceerd, sprake is van voldoende elementen van wederzijdse zorg. Uit het bestreden besluit blijkt daarom niet op grond van welke feiten en omstandigheden de Svb de conclusie heeft getrokken dat aan zorgcriterium is voldaan. Dit betekent dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt om die reden voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De Raad zal vervolgens beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.</para>
    <para />
    <para>4.5. De gegevens, zoals die naar voren komen uit de checklist en de handhavingsrapportage van 11 januari 2011, over de woon- en leefsituatie van appellant en [S.] bieden een voldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat sprake is van een wederzijdse zorg, die hetgeen in een commerciële relatie gebruikelijk is ver te boven gaat. Als zij beiden thuis zijn brengen appellant en [S.] de avonden gezamenlijk door in de woonkamer en nuttigen zij met regelmaat gezamenlijk maaltijden. [S.] rijdt regelmatig mee in de auto van appellant. Appellant heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat deze activiteiten niet dan wel slechts sporadisch gezamenlijk worden ondernomen. Daarbij wordt aangetekend dat in het aanvullend bezwaarschrift is aangevoerd dat het niet zo vreemd is dat [S.] regelmatig bij appellant in de auto zit, omdat hun beider kinderen met elkaar getrouwd zijn en sprake is van familiebezoek, terwijl appellant [S.] ook in zijn auto meeneemt om bijvoorbeeld naar de dokter te gaan. Voorts is op de checklist genoteerd dat sprake is van een gezamenlijke activiteit, het dagelijks kijken naar televisieprogramma’s. Tevens is gerapporteerd dat [S.] zorgt voor de was, dat zij strijkt, het hele huis schoon houdt en dat zij mede zorgt voor de hond van appellant. Indien nodig zorgt appellant voor de klusjes in en rond huis. Beiden koken dagelijks, zo nodig verzorgen zij elkaar bij ziekte en zij versturen gezamenlijk Kerst- en wenskaarten. Op de checklist is genoteerd dat [S.] € 60,-- per week bijdraagt voor de gezamenlijke inkopen.</para>
    <para />
    <para>4.6. [S.] en appellant hebben afzonderlijk van elkaar de checklist per pagina ondertekend. Gerapporteerd is dat de ondertekening heeft plaatsgevonden na het doornemen, in het geval van appellant nogmaals doornemen na zijn terugkeer in de woning, van de checklist. De gegevens vermeld in de checklist komen overeen met de opgestelde rapportage. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat [S.] tijdens het huisbezoek overstuur is geraakt of onder ontoelaatbare druk een verklaring heeft afgelegd. De opgestelde handhavingsrapportage biedt daarvoor geen aanknopingspunten, terwijl [S.] geen reden heeft gezien een klacht in te dienen tegen de beide medewerkers van de Sociale verzekeringsbank. Met de ondertekening van de checklist heeft appellant kenbaar gemaakt dat ook hij zich daarmee kon verenigen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de strekking en het gevolg van de ondertekening niet heeft kunnen overzien. Daarbij wordt aangetekend dat hij al eerder betrokken is geweest bij een onderzoek door de Svb naar de woon- en leefsituatie en de gebruikte checklist. De omstandigheid dat het onderzoek was gericht op de situatie van [S.] doet er niet aan af dat de resultaten ook gebruikt kunnen worden om vast te stellen of appellant onverminderd recht heeft op Anw-uitkering. Bovendien was hij bij het onderzoek persoonlijk betrokken.</para>
    <para />
    <para>4.7. Het standpunt van appellant dat de Svb door de intrekking van de Anw-uitkering met ingang van 1 februari 2011 het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, kan niet worden onderschreven. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 9 augustus 2011, LJN BR4926) slechts slagen, indien door een tot beslissen bevoegd orgaan ten aanzien van een aanvrager uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan die bij die aanvrager gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Het besluit van de Svb van 18 december 2012, waarop appellant beroep heeft gedaan, houdt geen toezegging in als hiervoor bedoeld, maar vermeldt kennelijk abusievelijk dat de Anw-uitkering van appellant tot 17 februari 2013 doorloopt. De omstandigheid dat de Svb op de hoogte was van het feit dat [S.] bij appellant inwoonde en dat dit vóór 1 februari 2011 niet in de weg heeft gestaan aan verlening van nabestaandenuitkering aan appellant, is ontoereikend om met succes een beroep te kunnen doen op het vertrouwensbeginsel. Een eventuele onjuiste beoordeling in het verleden kan er niet toe leiden dat ook voor de toekomst een met de wet strijdige situatie blijft voortbestaan.</para>
    <para />
    <para>4.8. Anders dan appellant stelt is bij het onderzoek begin 2011 ook een wezenlijk andere situatie vastgesteld dan bij de eerdere onderzoeken naar de woon- en leefsituatie van appellant en [S.]. Zo heeft appellant bij het huisbezoek op 21 april 2009 verklaard dat [S.] geheel voor zichzelf zorgt en vaak weg is, dat zij alleen twee avonden per week samen doorbrengen en dat geen sprake is van verdere verzorging. Op de toen ingevulde checklist is genoteerd dat [S.] haar eigen huishoudelijke werkzaamheden doet en appellant de huishouding, dat [S.] alleen voor zichzelf wast, dat geen sprake is van verzorging bij ziekte en dat appellant alleen voor zijn huisdier zorgt. Bij het onderzoek in 2011 is vastgesteld dat de woon- en leefsituatie van appellant en [S.] zodanig is dat niet langer gesproken kan worden van een commerciële relatie.</para>
    <para />
    <para>4.9. Uit 4.5 tot en met 4.8 vloeit voort dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 18 mei 2011 in stand blijven.</para>
    <para />
    <para>5. Aanleiding bestaat de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 mei 2011;</para>
      <para>- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;</para>
      <para>- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,--;</para>
      <para>- bepaalt dat de Svb aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in</para>
      <para>  totaal  € 153,-- vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2013.</para>
    <para>						</para>
    <para>(getekend) J.F. Bandringa</para>
    <para>					</para>
    <para>De griffier is buiten staat te ondertekenen</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH </para>
      <para>’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>ew</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>