<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9160</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-16T03:20:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-06-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ9160</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-05-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-451 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2011:7649" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:7649, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9160">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9160</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-22T17:11:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9160 Centrale Raad van Beroep , 01-05-2013 / 12-451 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9160:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten. Buitenwettelijk begunstigend beleid. Door het college is gesteld dat appellant al woonde in een voor ouderen geschikte benedenwoning met enkele voorzieningen, zoals een verhoogde toiletpot en handgrepen en door appellant is dit niet met objectieve gegevens weerlegd. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de verhuis- en inrichtingskosten terecht afgewezen. Kosten van eerste maand huur- en administratiekosten : geen bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien. Geen bijzondere omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9160:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>12/451 WWB </para>
    <para />
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 december 2011, 11/1208 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (appellant)</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 1 mei 2013</para>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. R.S. Wijling, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wijling. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai.</para>
    <para />
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Op 28 september 2010 heeft appellant op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) een aanvraag om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten, eerste maand huur en administratiekosten ingediend.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 20 oktober 2010 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten afgewezen. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat deze kosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en daarom betaald moeten worden uit het eigen inkomen of vermogen.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 25 november 2010 heeft het college de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van eerste maand huur en administratiekosten afgewezen, omdat in deze kosten al is voorzien. </para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluit van 2 februari 2011 (bestreden besluit) heeft het college de tegen de besluiten van 20 oktober 2010 en 25 november 2010 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat de oude woning hem beperkte in zijn functioneren. Deze woning was niet rolstoel- of scootmobiel toegankelijk, had enkele trappetjes, een verrotte vloer en was niet meer geschikt voor appellant. Appellant doet een beroep op het beleid van het college waarin is vermeld dat een verhuizing in ieder geval als sociaal noodzakelijk is aan te merken bij ouderen van 55 jaar en ouder naar een passende, veelal, kleinere woonruimte.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn. </para>
    <para />
    <para>4.2. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 27 januari 2009, LJN BH2282) dient bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het college ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende noodzakelijke kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>4.3. De kosten van een verhuizing en inrichting van een woning worden tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend. Die kosten dienen in beginsel te worden bestreden uit het inkomen, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening is niet mogelijk, tenzij de kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>4.4. Niet in geschil is dat de kosten waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft gevraagd zich voordoen. Anders is dat met betrekking tot het antwoord op de vraag of die kosten noodzakelijk zijn. Appellant heeft aangevoerd dat zijn verhuizing noodzakelijk was omdat de oude woning niet rolstoel- of scootmobiel toegankelijk was. Tevens had de woning diverse trappetjes die gezien de spierklachten van appellant voor problemen zorgde. De noodzaak om te verhuizen in verband met het rolstoel- en/of scootmobiel toegankelijk zijn van de woning is niet aangetoond omdat appellant niet rolstoel afhankelijk is en geen scootmobiel heeft. De door appellant gestelde medische noodzaak, in verband met zijn spierklachten, heeft hij niet met medische verklaringen onderbouwd. </para>
    <para />
    <para>4.5. Appellant heeft een beroep gedaan op de beleidsregels van het college, uitgewerkt in het handboek SoZaWe Rotterdam, waarbij is gesteld dat de verhuizing in ieder geval als noodzakelijk is aan te merken bij ouderen van 55 jaar en ouder naar een passende, veelal kleinere, woonruimte. Volgens het college impliceert het begrip passende woonruimte wel een noodzaak om te verhuizen. De achterliggende reden van de verhuizing dient dan ook steeds te worden beoordeeld. Ter zitting is van de kant van het college ter aanvulling gesteld dat met dit beleid beoogd is de toets voor de noodzaak om te verhuizen voor personen van 55 jaar en ouder minder streng te maken. Veel ouderen worden geacht naar een benedenwoning te verhuizen die voor hen meer geschikt is. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de verhuis- en inrichtingskosten terecht afgewezen.</para>
    <para />
    <para>4.6. De Raad beschouwt het hiervoor weergegeven beleid als buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld CRvB 27 april 2010, LJN BM3103) wordt een dergelijk beleid als gegeven aanvaard en dient de door de bestuursrechter te verrichten toetsing zich te beperken tot de vraag of het beleid op consistente wijze is toegepast. </para>
    <para />
    <para>4.7. Hantering van wat in het beleid is bepaald leidt er niet toe dat appellant aanspraak op bijzondere bijstand voor verhuiskosten kan maken. Door het college is gesteld dat appellant al woonde in een voor ouderen geschikte benedenwoning met enkele voorzieningen, zoals een verhoogde toiletpot en handgrepen en door appellant is dit niet met objectieve gegevens weerlegd. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor de verhuis- en inrichtingskosten terecht afgewezen.</para>
    <para />
    <para>4.8. Met betrekking tot de aanvraag voor bijzondere bijstand voor de kosten van eerste maand huur- en administratiekosten heeft appellant aangevoerd dat hij die kosten heeft betaald omdat hij anders de woning niet zou hebben gekregen. </para>
    <para />
    <para>4.9. Uit artikel 35, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB vloeit voort dat in beginsel geen plaats is voor verlening van bijzondere bijstand voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag reeds is voorzien. In hetgeen appellant heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat hierop een uitzondering dient te worden gemaakt. Het college heeft ook de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van eerste maand huur en administratiekosten terecht afgewezen.</para>
    <para />
    <para>4.10. Uit 4.1 tot en met 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. Het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade komt voor afwijzing in aanmerking.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) A.B.J. van der Ham</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) A.C. Oomkens</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>