<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5265</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-06-22T16:53:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ5265</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-03-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-6643 WSF</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5265">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5265</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T13:00:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5265 Centrale Raad van Beroep , 22-03-2013 / 11-6643 WSF</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5265:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WSF. Terugvordering reisvoorziening. Met het inkomen in de vorm van een Wajong-uitkering heeft appellante de bijverdiengrens overschreden. Appellante had tot 1 juli 2008 de tijd om een verzoek in te dienen om met terugwerkende kracht haar studiefinanciering stop te zetten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5265:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>11/6643 WSF </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2011, 10/2376 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    <para />
    <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 22 maart 2013</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Namens appellante heeft mr. W.H. Boomstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Minister heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.</para>
    <para />
    <para>De behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2013. Namens appellante is verschenen mr. Boomstra. De Minister heeft zich niet laten vertegenwoordigen.</para>
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Aan appellante is studiefinanciering toegekend. Na een controle van de neveninkomsten van appellante aan de hand van de door de Minister bij de Belastingdienst opgevraagde inkomensgegevens, heeft de Minister bij besluit van 24 juni 2010 over het studiefinancieringstijdvak 2007 ten laste van appellante een vordering reisvoorziening vastgesteld van in totaal € 639,76, omdat de bijdragevrije voet met € 1.261,09 is overschreden. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en in haar bezwaarschrift een beroep gedaan op de hardheidsclausule, omdat zij haar bijverdiensten, een Wajong-uitkering, in 2007 niet heeft kunnen staken. Bij besluit van 2 september 2010 (bestreden besluit) heeft </para>
      <para>de Minister het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en gemotiveerd waarom geen aanleiding wordt gezien voor toepassing van de in artikel 11.5 van </para>
      <para>de Wet op de studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) opgenomen hardheidsclausule. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft de Minister in redelijkheid kunnen besluiten om geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule omdat appellante de mogelijkheid had om (tijdelijk) af te zien van haar recht op studiefinanciering.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij geprobeerd heeft haar Wajong-uitkering te beëindigen, maar dat het Uwv heeft aangegeven dat het ontvangen van studiefinanciering geen geldige reden is om tot beëindiging van de Wajong-uitkering over te gaan.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Niet in geschil is dat appellante in 2007 een inkomen van € 11.891,83 heeft verworven, bestaande uit een Wajong-uitkering. Met dit inkomen heeft appellante de bijverdiengrens in 2007, die vastgesteld is op € 10.630,74, overschreden. Studerenden hebben meerdere mogelijkheden om te voorkomen dat zij worden geconfronteerd met een vordering wegens meerinkomen en/of reisvoorziening. Een eerste mogelijkheid is te zorgen dat niet meer inkomen wordt verworven dan die bijdragevrije voet en een tweede mogelijkheid is tijdig het recht op studiefinanciering beëindigen. Zoals in het bestreden besluit staat vermeld had appellante tot 1 juli 2008 de tijd om een verzoek in te dienen om met terugwerkende kracht haar studiefinanciering stop te zetten. Appellante heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Ook in hoger beroep is niet duidelijk kunnen worden waarom appellante van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Zij heeft slechts het voortdurend ingenomen standpunt herhaald dat zij haar Wajong-uitkering niet kon beëindigen. </para>
    <para />
    <para>4.2. Onder deze omstandigheden kan slechts worden geoordeeld dat de rechtbank terecht het beroep van appellante ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2013.</para>
    <para>				</para>
    <para>(getekend) M.C. Bruning</para>
    <para>				</para>
    <para>(getekend) I.J. Penning</para>
    <para />
    <para>QH</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>