<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3518</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T17:25:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ3518</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-03-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-3989 MAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3518">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3518</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:54:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3518 Centrale Raad van Beroep , 07-03-2013 / 11-3989 MAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3518:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek om een vergoeding toe te kennen voor aanwezigheidsdienst met slaapmogelijkheid. Appellant was niet in formele zin geconsigneerd op zijn hotelkamer, in de zin dat hem de verplichting was opgelegd op of in de onmiddellijke omgeving van zijn hotelkamer te blijven. Hij voldeed dus ook niet aan alle wettelijke voorwaarden voor vergoeding wegens consignatie thuis (die hem uit coulance wel is toegekend over de in geding zijnde dagen), laat staan voor de door hem verzochte vergoeding met 1/3 herleidingsfactor wegens aanwezigheidsdienst met slaapmogelijkheid, nu zo’n vergoeding niet wordt toegekend voor verblijf op de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen, in dit geval de hotelkamer. Buitenwettelijke bestendige praktijk. De commandant heeft daarbij onweersproken gesteld dat deze bestendige praktijk niet zover gaat dat in een geval als dat van appellant, waarbij sprake is van verblijf op een hotelkamer, niettemin een 1/3 vergoeding in plaats van een 1/10 vergoeding wordt toegekend. Er is ook geen andere grond waarop de commandant daartoe wel gehouden zou zijn. Geconcludeerd wordt dat appellant met de hem toegekende vergoeding niet tekort is gedaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3518:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/3989 MAW</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 mei 2011, 10/7921 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B. ] (appellant)</para>
    <para />
    <para>de  Commandant Landstrijdkrachten (commandant)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 7 maart 2013</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De commandant heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. N.I. van Os. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1.1. Appellant vervulde met ingang van 2 januari 2008 de functie van Stafofficier Verplaatsingen Brigade bij de Sectie Verplaatsingen van de 11 Luchtmobiele Brigade. Van 4 tot en met 10 april 2010 heeft hij een dienstreis als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit dienstreizen Defensie gemaakt naar Suriname.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Aan appellant is voor aanwezigheidsdienst met slaapmogelijkheid op 4 en 5 april 2010 een vergoeding toegekend. Voorts is hem een vergoeding toegekend voor consignatie thuis op 6 tot en met 9 april 2010. De herleidingsfactor voor laatstgenoemde vergoeding is lager dan die voor eerstgenoemde vergoeding (1/10, respectievelijk 1/3 periode/uurloonvergoeding). </para>
    <para />
    <para>1.3. Appellant heeft verzocht hem ook over de periode van 6 tot en met 9 april 2010 een vergoeding toe te kennen voor aanwezigheidsdienst met slaapmogelijkheid. Bij besluit van 15 april 2010 heeft de commandant dit verzoek afgewezen. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 6 oktober 2010 (bestreden besluit).</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat hem consignatie in de vorm van aanwezigheidsdienst is opgelegd. Van consignatie als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Regeling vergoeding voor overwerk, onregelmatigheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid (VROB) is geen sprake geweest, nu appellant in de desbetreffende periode niet heeft overnacht op de feitelijke werkplek, maar in een hotel. </para>
    <para />
    <para>3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.</para>
    <para />
    <para>3.1. Ingevolge artikel 54a, aanhef en onder j, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR) wordt onder consignatie verstaan: een tijdruimte tussen twee opeenvolgende werkdagen of tijdens een pauze, waarin een militair uitsluitend verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen werkzaamheden of diensten te verrichten. Onder k van hetzelfde artikel wordt aanwezigheidsdienst omschreven als: een aaneengesloten tijdruimte van ten hoogste 24 uren, waarin de militair, zo nodig naast het verrichten van de bedongen werkzaamheden of diensten, consignatie wordt opgelegd waarbij die militair verplicht is op de werkplek aanwezig te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen werkzaamheden of diensten te verrichten.</para>
    <para />
    <para>3.2. Op grond van artikel 7 van de VROB wordt een vergoeding met een herleidingsfactor van 1/10 toegekend voor een consignatie als bedoeld in artikel 58a AMAR die wordt opgelegd op de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen (een zogenoemde consignatie thuis). Een vergoeding met een herleidingsfactor van 1/3 wordt toegekend voor een consignatie die wordt opgelegd gedurende een zogenoemde aanwezigheidsdienst met slaapmogelijkheid in (onder meer) een kazerne of op een andere door de commandant aan te wijzen plaats, niet zijnde de woning van de militair of de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen. Uitdrukkelijk is in artikel 7, vierde lid, bepaald dat geen herleiding plaatsvindt voor de tijdsduur dat de militair wordt opgedragen bereikbaar te zijn, zonder dat hij wordt beperkt in zijn bewegingsvrijheid naar tijd en plaats of wordt geconsigneerd als bedoeld in artikel 58a AMAR.</para>
    <para />
    <para>3.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan worden afgeleid dat appellant niet in formele zin was geconsigneerd op zijn hotelkamer, in de zin dat hem de verplichting was opgelegd op of in de onmiddellijke omgeving van zijn hotelkamer te blijven. Hij voldeed dus ook niet aan alle wettelijke voorwaarden voor vergoeding wegens consignatie thuis (die hem uit coulance wel is toegekend over de in geding zijnde dagen), laat staan voor de door hem verzochte vergoeding met 1/3 herleidingsfactor wegens aanwezigheidsdienst met slaapmogelijkheid, nu zo’n vergoeding niet wordt toegekend voor verblijf op de plaats waar de militair gewoonlijk de nacht geacht wordt door te brengen, in dit geval de hotelkamer. </para>
    <para />
    <para>3.4. Dat appellant niettemin een vergoeding is toegekend met een herleidingsfactor van 1/10 is gebaseerd op een buitenwettelijke bestendige praktijk. Daarbij wordt, naar analogie van de - niet voor de eenheid van appellant geldende - Interim Vergoedingsregeling VVDET werkzaamheden, ondanks het ontbreken van een opdracht tot consignatie niettemin een vergoeding toegekend alsof betrokkene een VVDET-er was. De commandant heeft daarbij onweersproken gesteld dat deze bestendige praktijk niet zover gaat dat in een geval als dat van appellant, waarbij sprake is van verblijf op een hotelkamer, niettemin een 1/3 vergoeding in plaats van een 1/10 vergoeding wordt toegekend. Er is ook geen andere grond waarop de commandant daartoe wel gehouden zou zijn. Geconcludeerd wordt dat appellant met de hem toegekende vergoeding niet tekort is gedaan.</para>
    <para />
    <para>4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en K.J. Kraan en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) J.T.P. Pot</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>