<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-16T02:27:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ2295</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-4885 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RBROT:2011:3938" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/eerdereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:3938, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2295">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2295</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:50:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2295 Centrale Raad van Beroep , 26-02-2013 / 11-4885 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2295:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag bijstand. Appellante heeft een vermogen dat hoger is dan het vrij te laten vermogen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante ten tijde van de aanvraag nog niet heeft ingeteerd op haar vermogen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2295:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/4885 WWB </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 juli 2011, 10/5019 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (appellante)</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak  26 februari 2013.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Namens appellante heeft mr. R. Küçükünal, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door M.E. Braak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.1. Appellante ontving sinds 22 augustus 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. </para>
    <para />
    <para>1.2. Bij vijf afzonderlijke besluiten van 13 april 2010 heeft het college de bijstand van appellante over periodes van 22 augustus 2007 tot en met 28 maart 2010 ingetrokken, de gemaakte kosten van bijstand over deze periodes van appellante teruggevorderd en de bijstand met ingang van 1 april 2010 ingetrokken. Bij besluit van 22 september 2010 heeft het college vier van de vijf besluiten in bezwaar gehandhaafd en het besluit tot intrekking en terugvordering over de periode van 22 augustus 2007 tot en met 31 december 2007 gewijzigd, in die zin dat de periode van intrekking en terugvordering wordt gewijzigd in 16 november 2007 tot en met 31 december 2007. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellante op 31 december 2007 op haar bankrekeningen een bedrag van € 61.172,-- tot haar beschikking had en dat zij niet heeft aangetoond dat zij niet meer over het vermogen kon beschikken. Daarom kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>1.3. Op 12 mei 2010 heeft appellante zich opnieuw gemeld voor bijstand en op 21 mei 2010 heeft zij een aanvraag ingediend. Bij besluit van 26 augustus 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen.</para>
    <para />
    <para>1.4. Het college heeft bij besluit van 1 december 2010 (bestreden besluit) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 augustus 2010 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. In geval van een aanvraag om bijstand bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel de periode vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om een aanvraag in te dienen tot en met de datum van het primaire besluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 12 mei 2010 tot en met 26 augustus 2010.</para>
    <para />
    <para>4.2. Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.</para>
    <para />
    <para>4.3. Appellante heeft aangevoerd dat zij nu wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Daartoe heeft zij een in de Turkse taal opgesteld e-mailbericht van 7 december 2010 overgelegd waarin - volgens het beroepschrift - twee familieleden uit België verklaren dat zij van appellante het aan haar ter bewaring gegeven geldbedrag van € 46.000,-- op 30 oktober 2008 van haar retour hebben ontvangen. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat appellante met dit e-mailbericht niet heeft aangetoond dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat zij nu wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Appellante heeft met dit e-mailbericht geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat het verklaarde juist is. Daar komt bij dat het in het e-mailbericht genoemde bedrag van € 46.000,-- niet overeen komt met het bedrag van € 61.172,-- dat eind december 2007 op appellantes bankrekeningen stond. Bovendien heeft appellante tijdens de intake bij de aanvraag om bijstand verklaard dat zij het geld heeft opgenomen en niet meer weet waar het is gebleven. Deze beroepsgrond van appellante kan dan ook niet slagen.</para>
    <para />
    <para>4.4. Appellante kan niet worden gevolgd in haar stelling dat zij gelet op het tijdsverloop heeft ingeteerd op haar vermogen. Appellante heeft nog tot in maart 2010 bijstand ontvangen. Sindsdien is tot de melding een relatief korte periode verstreken. Ook als rekening wordt gehouden met het bedrag van de terugvordering, ongeveer € 36.000,--, dat op het vermogen in mindering dient te worden gebracht, resteert een vermogen dat hoger is dan het vrij te laten vermogen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante ten tijde van de aanvraag nog niet heeft ingeteerd op haar vermogen.</para>
    <para />
    <para>4.5. Gelet op wat hiervoor onder 4.3 en 4.4 is overwogen, heeft het college de aanvraag van appellante terecht afgewezen. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en E.J.M. Heijs en E.C.R. Schut als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2013.</para>
    <para>						</para>
    <para>(getekend) J.C.F. Talman</para>
    <para>						</para>
    <para>(getekend) V.C. Hartkamp</para>
    <para />
    <para>IJ</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>