<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2240</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T04:33:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ2240</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-5259 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 2013/111</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2240">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2240</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:50:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2240 Centrale Raad van Beroep , 21-02-2013 / 11-5259 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2240:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging tijdelijke aanstelling. Het aanstellingsbesluit vermeldt expliciet dat sprake is van een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd. De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat sprake is van een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd die van rechtswege eindigt en niet van een aanstelling bij wijze van proef. Dat in de vacaturetekst destijds is vermeld “vaste baan, voor 36 uur per week”, maakt dit niet anders. Appellant voldeed niet aan de voorwaarde om voor een vaste aanstelling in aanmerking te komen. Het betoog van appellant dat hij onvoldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zijn functioneren te verbeteren, slaagt niet. Er is niet gebleken dat appellant geen reële kans heeft gehad om zich waar te maken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2240:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/5259 AW </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 augustus 2011, 10/4078 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B. ] (appellant)</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 21 februari 2013</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R. Muurlink. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.M. ten Berge en mr. M.J.C.K. van Klooster.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb. 2012, 682) in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen in onder meer de Algemene wet bestuursrecht en de Beroepswet aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft op deze zaak het recht van toepassing, zoals dat gold vóór 1 januari 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten, omstandigheden en regelgeving wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.</para>
    <para />
    <para>2.2. Appellant is bij besluit van 3 oktober 2008 met ingang van 1 oktober 2008 tot 1 oktober 2009 in tijdelijke dienst aangesteld in de functie medewerker bij de directie Bestuurs- en managementondersteuning, afdeling Back Office Dienstverlening. </para>
    <para />
    <para>2.3. Het college heeft appellant bij besluit van 20 augustus 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 22 juli 2010 (bestreden besluit), medegedeeld dat zijn tijdelijke aanstelling per 1 oktober 2009 eindigt. Daaraan ligt ten grondslag dat is gebleken dat appellant onvoldoende functioneerde.</para>
    <para />
    <para>3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>4. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat weliswaar formeel sprake was van een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd, maar dat uit alle omstandigheden blijkt dat een tijdelijke aanstelling op proef beoogd was. Verder hebben andere medewerkers wel een aanstelling voor bepaalde tijd op proef gekregen, zodat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Voor zover appellant niet voldoende functioneerde, is dit te wijten aan de te grote hoeveelheid aan hem extra toebedeelde werkzaamheden waarover onduidelijkheid bestond. Appellant heeft dit tevergeefs geprobeerd aan te kaarten. Appellant heeft verder geen reële verbeterkans gehad, zodat er op zijn minst aanleiding bestond de aanstelling te verlengen.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <para>5.1. Bij de vraag welk karakter een aanstelling draagt is allereerst hetgeen in het aanstellingsbesluit is vermeld van belang. Slechts indien het aanstellingsbesluit op dit punt geen uitsluitsel geeft, dienen bij de beantwoording van de vraag wat tussen het college en appellant heeft te gelden hun bedoelingen te worden betrokken, zoals die blijken uit de overige gedingstukken.</para>
    <para />
    <para>5.2. Het aanstellingsbesluit vermeldt expliciet dat sprake is van een aanstelling in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd op grond van artikel 2.4 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam. Hierbij is eveneens een afgesloten periode van 1 oktober 2008 tot 1 oktober 2009 vermeld. Het standpunt van appellant dat destijds wel beoogd was een aanstelling bij wijze van proef te verlenen, maakt niet dat de aard van de aanstelling wijzigt. De rechtbank heeft dan ook op juiste gronden geoordeeld dat sprake is van een tijdelijke aanstelling voor bepaalde tijd die van rechtswege eindigt en niet van een aanstelling bij wijze van proef. Dat in de vacaturetekst destijds is vermeld “vaste baan, voor 36 uur per week”, maakt dit niet anders. Het betoog van appellant dat het college destijds in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door aan hem, anders dan aan collega’s, geen proeftijdaanstelling te verlenen, gaat eraan voorbij dat het aanstellingsbesluit in rechte vast staat en slaagt dus niet. </para>
    <para />
    <para>5.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 29 juli 2010, LJN BN3499 en TAR 2011, 79) brengt de omstandigheid dat een ambtenaar in tijdelijke dienst voor bepaalde tijd is aangesteld mee dat het bestuursorgaan die aanstelling na afloop van de gestelde termijn niet hoeft te verlengen of om te zetten in een vaste aanstelling. Dat is anders als er een verplichting bestaat tot voortzetting van het dienstverband, of het niet verlengen in strijd zou komen met ongeschreven recht.</para>
    <para />
    <para>5.4. Onbetwist is dat het college appellant heeft toegezegd dat hij, indien hij goed functioneert, na het einde van de tijdelijke aanstelling in aanmerking komt voor een vaste aanstelling. De rechtbank heeft dan ook op goede gronden beoordeeld of aan deze voorwaarde is voldaan.</para>
    <para />
    <para>5.5. Hetgeen appellant heeft aangevoerd over het ontbreken van formele functioneringsgesprekken die vooraf als zodanig waren aangekondigd, leidt niet tot een ander oordeel dan waartoe de rechtbank op dit punt is gekomen. De Raad volstaat in dit verband met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank hierover in 2.5 van de aangevallen uitspraak. Hieraan wordt nog toegevoegd dat het feit dat aan appellant niet voorafgaand aan alle gesprekken is verteld dat het gesprek over zijn functioneren zou gaan, niet maakt dat het oordeel over het functioneren van appellant, zoals blijkt uit de gespreksverslagen, onjuist is. Dit geldt ook voor het feit dat geen gebruik is gemaakt van beoordelingsformulieren. </para>
    <para />
    <para>5.6. Uit de verslagen van de gesprekken met appellant op 22 april 2009 en 1 juli 2009 blijkt dat appellant is aangesproken op verschillende aspecten van zijn functioneren. In het gesprek op 22 april 2009 is onder meer aan de orde gesteld dat appellant tekort schiet in de samenwerking, vooral met zijn collega Peter B, dat hij een weinig flexibele werkhouding heeft, dat hij te rigide omgaat met werk- en pauzetijden en dat hij de neiging heeft om de verantwoordelijkheid voor genoemde zaken buiten zichzelf te leggen. Aan appellant is kenbaar gemaakt dat van hem verbetering verwacht wordt en dat hierbij begeleiding zal worden geboden. Appellant is tevens gevraagd zijn werkbelasting inzichtelijk te maken, omdat hij aangeeft het te druk te hebben om extra taken op zich te nemen. Uit het verslag van het gesprek op 1 juli 2009 blijkt dat appellant nog steeds zeer rigide omgaat met de werk- en pauzetijden en dat er onveranderd problemen zijn in de samenwerking. Appellant stelt zich nog steeds niet flexibel op en houdt er een ‘negen tot vijfmentaliteit’ op na die niet past bij zijn functie. Aan het einde van het gesprek is appellant kenbaar gemaakt dat zijn aanstelling niet verlengd zal worden.</para>
    <para />
    <para>5.7.  Op grond van het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat appellant aan de voorwaarde voldeed om voor een vaste aanstelling in aanmerking te komen. Evenmin kan op grond van hetgeen appellant in dat verband heeft aangevoerd geconcludeerd worden dat hij wel goed gefunctioneerd zou hebben, indien de werklast en -druk minder hoog waren geweest. Daarbij is van belang dat appellant de op 22 april 2009 gemaakte afspraak om een inventarisatie te maken van zijn werkzaamheden om vast te stellen waaruit zijn (grote) werkdruk bestond, niet is nagekomen. </para>
    <para />
    <para>5.8. Het betoog van appellant dat hij onvoldoende tijd en gelegenheid heeft gehad om zijn functioneren te verbeteren, slaagt niet. Het krijgen van een verbeterkans, nadat een ambtenaar tijdig met zijn tekortkomingen is geconfronteerd, is volgens vaste rechtspraak van de Raad een vereiste voor het verlenen van een ontslag wegens ongeschiktheid. Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, is bij het niet-verlengen van een tijdelijke aanstelling sprake van een andere, meer terughoudende toets. Verder is niet gebleken dat appellant geen reële kans heeft gehad om zich waar te maken. Het college was dan ook niet gehouden de aanstelling van appellant te verlengen om hem alsnog hiertoe in de gelegenheid te stellen.</para>
    <para />
    <para>5.9. Het vorenstaande leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. </para>
    <para />
    <para>6. Voor zover appellant de Raad heeft willen verzoeken het college te veroordelen tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht komt dat verzoek, gelet op de onder 5.9 vermelde conclusie, niet voor inwilliging in aanmerking.</para>
    <para />
    <para>7. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2013.</para>
    <para />
    <para>(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) S.K. Dekker</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>