<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T08:17:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ2129</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-6627 WSF</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011453&amp;artikel=11.5&amp;g=2013-02-22">Wet studiefinanciering 2000 11.5</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2013/98</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2129">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2129</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:50:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2129 Centrale Raad van Beroep , 22-02-2013 / 11-6627 WSF</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2129:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is het niet mogelijk van het begrip toetsingsinkomen af te wijken, nu dit in artikel 11.5, tweede lid, van de Wsf 2000 uitdrukkelijk is uitgezonderd van de toepassing van de hardheidsclausule. Dat de wettelijke regeling met betrekking tot de vaststelling van de draagkracht van een debiteur in het onderhavige geval voor betrokkene onredelijke gevolgen zou hebben betekent niet dat het tweede lid van artikel 11.5 van de Wsf 2000 buiten toepassing zou mogen worden gelaten. De innerlijke waarde van de wet kan bij de rechter niet ter discussie worden gesteld. Door de wetswijziging per 1 januari 2008 is het indertijd door appellant gevoerde beleid achterhaald, zodat betrokkene zich daarop in de onderhavige zaak niet - meer - met succes kan beroepen. Wat de rechtbank terzake heeft overwogen is voor de beoordeling van het beroep daarom niet relevant. Vernietiging uitspraak. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2129:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/6627 WSF </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 25 oktober 2011, 10/873 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (appellant)</para>
    <para />
    <para>[A. te B. ] (betrokkene)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 22 februari 2013</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens betrokkene heeft mr. W.A. Bruinsma-Woudstra, advocaat, een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Bruinsma-Woudstra.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1.1. Betrokkene heeft in het verleden studiefinanciering ingevolge de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) genoten, onder meer in de vorm van een lening. Ter zake van de terugbetaling van die lening is voor de jaren 2009 en 2010 vastgesteld dat zijn draagkracht op basis van zijn inkomen in de peiljaren 2007 en 2008 op nihil wordt gesteld. Het terug te betalen bedrag is voor die jaren eveneens op nihil gesteld. Voor het terugbetalingsjaar 2011 heeft appellant bij besluit van 6 november 2010 vastgesteld dat betrokkene € 110,13 per maand moet betalen. Aan deze vaststelling heeft het door betrokkene in het peiljaar 2009 genoten verzamelinkomen ten grondslag gelegen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Betrokkene heeft tegen het besluit van 6 november 2010 bezwaar gemaakt. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat zijn draagkracht ook in 2011 op nihil moet worden gesteld. Betrokkene heeft vermeld te vermoeden dat de terugbetalingsverplichting is berekend aan de hand van een onjuist vastgesteld inkomen, nu dat in het peiljaar 2009 niet afweek van het inkomen in de twee jaren daarvoor.</para>
    <para />
    <para>1.3. Appellant heeft het bezwaar van betrokkene bij besluit van 24 december 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat de draagkracht van betrokkene is vastgesteld aan de hand van inkomensgegevens die de Belastingdienst aan appellant heeft verstrekt. Er is geen mogelijkheid bij de berekening uit te gaan van het besteedbare inkomen van betrokkene.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat appellant bij de vaststelling van de draagkracht de in artikel 11.5, eerste lid, van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule had moeten toepassen, omdat het door de Belastingdienst vastgestelde inkomen een vertekend beeld geeft van de inkomenssituatie van betrokkene. De rechtbank heeft het bestreden besluit daarom vernietigd, bepaald dat haar uitspraak daarvoor in de plaats komt en de draagkracht van betrokkene voor 2009 op nihil gesteld.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat, gelet op het per 1 januari 2008 ingevoerde tweede lid van artikel 11.5 van de Wsf 2000, de hardheidsclausule niet kan worden toegepast bij het bepalen van het toetsingsinkomen. Het in het verleden gevoerde hardheidsclausulebeleid waarvan ook de rechtbank in de aangevallen uitspraak melding heeft gemaakt, is sinds deze datum niet meer van toepassing.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot het volgende oordeel.</para>
    <para />
    <para>4.1. Het toetsingsinkomen als bedoeld in het bij betrokkene toepasselijke artikel 10a.8 van de Wsf 2000 is het inkomen in de zin van artikel 1.1 van de Wsf 2000. Artikel 1.1 van de Wsf 2000 verwijst met betrekking hiertoe naar artikel 8 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Artikel 8 van de Awir bepaalt dat het toetsingsinkomen wordt vastgesteld aan de hand van het inkomensgegeven. Dat begrip is gedefinieerd in artikel 21 van de Awir en is het verzamelinkomen of het belastbare inkomen.</para>
    <para />
    <para>4.2. In het onderhavige geval is het verzamelinkomen vastgesteld. Dat inkomen is bepalend voor de vaststelling van het toetsingsinkomen en daarmee ook voor de draagkracht van betrokkene. Indien betrokkene meent dat de uitkeringsinstantie onjuiste gegevens heeft verstrekt aan de Belastingdienst, of dat deze laatste een onjuist verzamelinkomen heeft geregistreerd, dan zal hij zich tot die instantie(s) moeten wenden.</para>
    <para />
    <para>4.3.1. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld is het niet mogelijk van het begrip toetsingsinkomen af te wijken, nu dit in artikel 11.5, tweede lid, van de Wsf 2000 uitdrukkelijk is uitgezonderd van de toepassing van de hardheidsclausule. Dat de wettelijke regeling met betrekking tot de vaststelling van de draagkracht van een debiteur in het onderhavige geval voor betrokkene onredelijke gevolgen zou hebben betekent niet dat het tweede lid van artikel 11.5 van de Wsf 2000 buiten toepassing zou mogen worden gelaten. De innerlijke waarde van de wet kan bij de rechter niet ter discussie worden gesteld.</para>
    <para />
    <para>4.3.2. Door de wetswijziging per 1 januari 2008 is het indertijd door appellant gevoerde beleid achterhaald, zodat betrokkene zich daarop in de onderhavige zaak niet - meer - met succes kan beroepen. Wat de rechtbank terzake heeft overwogen is voor de beoordeling van het beroep daarom niet relevant.</para>
    <para />
    <para>4.4. Hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3.2 betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep ongegrond verklaren.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en M.C. Bruning en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) T. Hoogenboom</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) K.E. Haan</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>