<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1927</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T16:35:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ1927</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-7357 WUBO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1927">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1927</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:49:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1927 Centrale Raad van Beroep , 21-02-2013 / 11-7357 WUBO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1927:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering periodieke uitkering als nabestaande op grond van de Wubo. In artikel 7, aanhef en onder d, e en f, van de Wubo zijn de voorwaarden genoemd om als weduwe van een burger-oorlogsslachtoffer in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Kort gezegd, moet het burger-oorlogsslachtoffer (d) ten tijde van het overlijden in het genot zijn geweest van een periodieke uitkering op grond van de Wubo, (e) als gevolg van het oorlogsletsel zijn overleden, of (f) in verband met het oorlogsletsel in het genot zijn geweest van een periodieke uitkering, anders dan op grond van de Wubo. Appellante voldoet niet aan de voorwaarden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1927:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/7357 WUBO</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak in het geding tussen</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (appellante)</para>
    <para />
    <para>de Pensioen  en Uitkeringsraad (verweerder)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak 21 februari 2013.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 november 2011, kenmerk BZ01381289 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2013. Appellante is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.</para>
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante is de weduwe van [naam betrokkene] (betrokkene), geboren in 1940 in het toenmalig Nederlands-Indië. Betrokkene is in 1976 erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv). Een uitkering is hem toen echter geweigerd. Daartoe is overwogen dat sprake was van beenklachten, maar dat deze niet door de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Tegen deze weigering heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Het bezwaar is in 1977 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft daartegen geen beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>1.2. In december 2006 heeft betrokkene een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenningen op grond van de Wubo of de Wuv, naar gelang het gunstigste is. Bij besluit van 15 augustus 2007 is erkend dat betrokkene is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Het ging daarbij om internering in een kamp in Ambarawa tijdens de Japanse bezetting. Aanvaard is dat bij betrokkene sprake was van blijvende psychische invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld. Op grond van de Wubo zijn hem met ingang van 1 december 2006 een toeslag, een garantie-uitkering, een vergoeding van huishoudelijke hulp en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer toegekend. Een periodieke uitkering is echter geweigerd. Daartoe is overwogen dat zijn werkbeëindigingen in 1969 en 2002 geen verband hielden met zijn oorlogsinvaliditeit.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij afzonderlijk besluit van 15 augustus 2007 is de aanvraag op grond van de Wuv afgewezen. Daarbij is aanvaard dat betrokkene psychische klachten had, die in verband stonden met de vervolging. Overwogen is echter dat deze klachten niet hadden geleid tot een verminderd verdienvermogen. Van de longklachten en reumatische klachten van betrokkene is aangenomen dat deze door andere oorzaken zijn ontstaan.</para>
    <para />
    <para>1.4. Betrokkene is op 6 juni 2008 overleden.</para>
    <para />
    <para>1.5. Bij brief van 15 februari 2011 heeft appellante verzocht om als weduwe van betrokkene in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wuv. Zij heeft er verder op gewezen dat betrokkene pas na 32 jaar de erkenning op grond van de Wubo heeft gekregen die hij al in 1976 had aangevraagd. Volgens haar zijn destijds grote fouten gemaakt. </para>
    <para />
    <para>1.6. Bij besluit van 24 augustus 2011, nummer EA01 WUV 000369, is aan appellante met ingang van 1 februari 2011 op grond van de Wuv een periodieke uitkering als nabestaande toegekend. Bij afzonderlijk besluit van 24 augustus 2011, nummer EA01 WUB 000556, is haar een periodieke uitkering als nabestaande op grond van de Wubo geweigerd. Bij het bestreden besluit is het bezwaar tegen laatstgenoemd besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <para>2.1. In artikel 7, aanhef en onder d, e en f, van de Wubo zijn de voorwaarden genoemd om als weduwe van een burger-oorlogsslachtoffer in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering. Kort gezegd, moet het burger-oorlogsslachtoffer (d) ten tijde van het overlijden in het genot zijn geweest van een periodieke uitkering op grond van de Wubo, (e) als gevolg van het oorlogsletsel zijn overleden, of (f) in verband met het oorlogsletsel in het genot zijn geweest van een periodieke uitkering, anders dan op grond van de Wubo.</para>
    <para />
    <para>2.2. Betrokkene was niet in het genot van een periodieke uitkering op grond van de Wubo. Deze was hem bij het onder 1.2 genoemde besluit van 15 augustus 2007 geweigerd. Dit weigeringsbesluit staat in rechte vast. Wel is aan betrokkene een garantie-uitkering toegekend, maar een garantie-uitkering is geen periodieke uitkering in de zin van de Wubo. Dit is ter zitting uitvoerig toegelicht.</para>
    <para />
    <para>2.3. Betrokkene is niet als gevolg van door het oorlogsgeweld opgelopen letsel overleden. Dit blijkt uit de adviezen van twee geneeskundig adviseurs van verweerder, de artsen R.J. Roelofs en G.L.G. Kho. Er is geen reden om deze adviezen voor onjuist te houden. De verklaringen van de behandelend specialisten, de longarts A. Vrieze en de reumatologe J.R.M. Wentink, laten duidelijk zien dat betrokkene leed aan een combinatie van longklachten en reumatische aandoeningen. Uiteindelijk hebben de longklachten tot zijn dood geleid. Er is in de medische gegevens geen enkele aanwijzing te vinden dat de longklachten of de reumatische aandoeningen verband hielden met de erkende oorlogservaring van betrokkene.</para>
    <para />
    <para>2.4. Niet is gesteld of gebleken dat betrokkene in verband met zijn oorlogsletsel, anders dan op grond van de Wubo, een periodieke uitkering genoot. De door hem aangevraagde uitkering op grond van de Wuv is hem bij het onder 1.3 genoemde besluit van 15 augustus 2007 geweigerd. Ook dit weigeringsbesluit staat in rechte vast.</para>
    <para />
    <para>2.5. Gelet op hetgeen onder 2.1 tot en met 2.4 is overwogen, heeft appellante als weduwe van betrokkene geen aanspraak op een periodieke uitkering op grond van de Wubo. In het bestreden besluit is dit terecht vastgesteld. Haar aanspraken op grond van de Wuv zijn thans niet aan de orde, omdat het bestreden besluit daar niet over gaat.</para>
    <para />
    <para>2.6. Appellante heeft naar voren gebracht dat in 1976 grote fouten zijn gemaakt bij het beoordelen van de aanspraken van betrokkene. Volgens haar had het verband tussen de klachten van betrokkene en het oorlogsgeweld al in 1976 kunnen en moeten worden vastgesteld. Verweerder heeft er evenwel terecht op gewezen dat deze stellingen van appellante neerkomen op een aanvraag om herziening van het onder 1.1 genoemde weigeringsbesluit uit 1976. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv staat een dergelijke aanvraag alleen open voor "de belanghebbende". Gelet op de aard van de materie, kan alleen betrokkene zelf worden aangemerkt als belanghebbende in deze zin. Voor appellante, als zijn weduwe, is het niet mogelijk om herziening te verkrijgen. Overigens ziet de Raad in de beschikbare gegevens geen enkele aanwijzing dat de psychische klachten, op grond waarvan betrokkene in 2007 als burger-oorlogsslachtoffer is erkend, reeds in 1976 door de geneeskundig adviseur hadden moeten worden vastgesteld. Betrokkene heeft destijds alleen zijn beenklachten naar voren gebracht. Daarop mocht het medisch onderzoek worden toegespitst. De causale psychische klachten zijn, zo blijkt uit de stellingen van appellante, pas in 2006 aan het licht gekomen na diepgravende gesprekken met de rapportrice van de Stichting Pelita. Van een aan verweerder verwijtbare fout is dan ook geen sprake.</para>
    <para />
    <para>2.7. Het beroep is dus ongegrond.</para>
    <para />
    <para>3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) R. Kooper</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) V.C. Hartkamp</para>
    <para />
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>