<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T16:31:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ1770</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-6648 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1770">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1770</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:48:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1770 Centrale Raad van Beroep , 20-02-2013 / 11-6648 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1770:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek. Het Uwv heeft op inzichtelijke wijze onderbouwd dat appellante in staat was tot het verrichten van haar arbeid. Door appellante is niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat op de datum hier in geding sprake was van zodanige beperkingen, dat deze haar beletten haar eigen arbeid te verrichten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1770:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/6648 ZW </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 oktober 2011, 10/1428 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B. ] (appellante)</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 20 februari 2013</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Namens appellante heeft mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hogervorst. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R. Spanjer.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. Appellante is op 22 april 2009 uitgevallen voor haar werkzaamheden als tandartsassistente. Met ingang van 14 augustus 2009 is het dienstverband geëindigd. Aansluitend is aan appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na onderzoek door een verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit van 21 juni 2010 de ZW-uitkering per 23 juni 2010 beëindigd. Bij besluit van 6 augustus 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 21 juni 2010 ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv onjuist te achten, dan wel onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv in het rapport van 20 mei 2011 voldoende overtuigend aangegeven waarom de door appellante in beroep ingebrachte medische informatie niet heeft geleid tot het innemen van een ander standpunt. De rechtbank was van oordeel dat verzekeringsgeneeskundige protocollen niet van toepassing zijn bij een beoordeling in het kader van de ZW.</para>
    <para />
    <para>3. Appellante heeft gesteld dat onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten, terwijl deze klachten reëel zijn en niet ingebeeld, voorgewend of overdreven. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ongemotiveerd is voorbijgegaan aan de door haar in beroep aangevoerde gronden over de onzorgvuldigheid van de medische beoordeling. Naar de mening van appellante heeft geen individuele beoordeling door het Uwv plaatsgevonden, maar is uitgegaan van de algemene kenmerken van whiplash. In hoger beroep heeft appellante een overzicht van behandelingen over de periode van 6 maart 2009 tot en met 18 december 2012 en een schrijven van de osteopaat drs. M.J. de Keyser van 19 december 2012 ingebracht.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Voor het toepasselijke wettelijk kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>4.2. De vraag moet worden beantwoord of het oordeel van de rechtbank kan worden gevolgd, dat het Uwv appellante terecht met ingang van 23 juni 2010 niet (langer) ongeschikt heeft geacht voor haar eigen arbeid.</para>
    <para />
    <para>4.3. Anders dan appellante heeft aangevoerd, blijkt uit de beschikbare gegevens niet dat het Uwv een onzorgvuldig onderzoek heeft verricht, noch dat het de klachten van appellante niet serieus heeft genomen. Erkend is dat appellante ten gevolge van een whiplashtrauma resterende nekklachten heeft. Appellante kan evenmin worden gevolgd in haar opvatting dat op grond van de verzekeringskundige protocollen moet worden geoordeeld dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is geweest. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het Uwv op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd dat appellante met ingang van 23 juni 2010 in staat was tot het verrichten van haar arbeid. Daarbij zijn met name van belang de bevindingen bij eigen onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts naar de door appellante aangegeven klachten en ervaren belemmeringen en de informatie van de huisarts en de ergotherapeut. </para>
    <para />
    <para>4.4. Door appellante is niet met medische stukken aannemelijk gemaakt dat op de datum hier in geding sprake was van zodanige beperkingen, dat deze haar beletten haar eigen arbeid te verrichten. De in hoger beroep ingebrachte gegevens bieden geen duidelijkheid over de datum 23 juni 2010. Weliswaar volgt uit die gegevens dat appellante ook na 23 juni 2010 behandelingen heeft ondergaan voor haar klachten, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat zij op de datum in geding niet in staat was haar arbeid te verrichten. </para>
    <para />
    <para>4.5. Uit het vorenstaande volgt dat geen aanleiding bestaat om een onafhankelijk deskundige te benoemen en dat het Uwv op goede gronden het recht op ziekengeld van appellante met ingang van 23 juni 2010 heeft beëindigd. </para>
    <para />
    <para>4.6. Het hoger beroep slaagt niet en hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. </para>
    <para />
    <para>5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) B.M. van Dun</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) H.J. Dekker</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>