<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1473</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T05:07:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BZ1473</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-02-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-792 WSF</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2013/96</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1473">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1473</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-08T12:47:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1473 Centrale Raad van Beroep , 15-02-2013 / 12-792 WSF</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1473:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling. Uitgaande van het (eerst) op 16 mei 2010 gedane verzoek om draagkrachtvaststelling is de ingangsdatum van de draagkracht van appellant in overeenstemming met het dwingendrechtelijke artikel 10a.7, eerste lid, van de Wsf 2000 vastgesteld op 1 juni 2010. Niet gebleken dat de Minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Geen opgewekt vertrouwen. De wetgever heeft de studerende juist vanwege de mogelijke disproportionaliteit tussen het bedrag van de vastgestelde termijn en de inkomenssituatie de mogelijkheid gegeven om via draagkrachtmeting de maandelijkse afbetalingsverplichting en het inkomen in evenwicht te brengen. Appellant heeft nagelaten deze mogelijkheid in het jaar 2010 ten volle te benutten door eerst in de maand mei 2010 te verzoeken om draagkrachtmeting, hetgeen voor zijn risico en rekening komt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1473:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12/792 WSF </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 december 2011, 11/145 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B. ] (appellant)</para>
    <para />
    <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)</para>
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>De Minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012. Appellant is verschenen. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.E. Merema. </para>
    <para />
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de </para>
      <para>IB-Groep. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.1. Bij besluit van 6 januari 2010 heeft de Minister vastgesteld dat appellant vanaf 1 januari 2010 maandelijks € 1.195,43 aan hem dient te betalen in verband met een studieschuld. </para>
    <para />
    <para>2.2. Bij brief van 16 mei 2000 heeft appellant gevraagd om de maandelijkse afbetaling van zijn studieschuld over het jaar 2010 te verlagen via draagkrachtmeting. Naar aanleiding hiervan heeft de Minister bij besluit van 6 augustus 2010 de draagkracht van appellant voor 2010 berekend op basis van zijn inkomen over 2008 en vastgesteld dat appellant vanaf 1 juni 2010 - zijnde de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin om draagkracht is verzocht - niets van zijn (nog resterende) studieschuld hoeft terug te betalen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.3. Bij besluit van 25 november 2010 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van appellant, gericht tegen de in het besluit van 6 augustus 2010 bepaalde ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling welke datum volgens appellant dient te worden vastgesteld op </para>
      <para>1 januari 2010, ongegrond verklaard.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Het beroep van appellant, gericht tegen de in het bestreden besluit gehandhaafde ingangsdatum van de vastgestelde draagkracht voor 2010, is in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de ingangsdatum van de draagkrachtvaststelling door de Minister is vastgesteld in overeenstemming met artikel 10a.7, eerste lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken van omstandigheden die zo bijzonder zijn dat zij toepassing van de in artikel 11.5 van de Wsf 2000 neergelegde hardheidsclausule rechtvaardigen. Hiertoe is overwogen dat weliswaar uit de na de schorsing van de zaak overgelegde stukken zou kunnen worden afgeleid dat de Minister in het verleden enige coulance heeft betracht voor wat betreft de termijn voor het aanvragen van draagkrachtmeting, maar niet is gebleken van een stelselmatige coulance bij de indiening van de verzoeken hiervoor. De rechtbank ziet in de overgelegde stukken dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de Minister een dergelijke coulance ook thans nog moet blijven betrachten. Ook is niet gebleken van telefonisch contact van appellant met de Minister waarbij hij de Minister reeds in januari 2010 heeft meegedeeld dat hij nog niet kon beschikken over inkomensgegevens over 2008. </para>
    <para> </para>
    <para>4. Appellant heeft hoger beroep ingesteld omdat hij van mening is dat zijn argumenten in de aangevallen uitspraak onvoldoende uit de verf zijn gekomen. Appellant stelt dat het vasthouden aan de wettelijke termijn gezien de omstandigheden van zijn geval niet redelijk is en disproportioneel. Hij heeft geprobeerd zo goed en adequaat mogelijk te handelen. In januari 2010 heeft hij telefonisch contact opgenomen met de DUO omdat hij nog geen belastingaangifte over 2008 kon doen. Hem is toen meegedeeld dat hij zo snel mogelijk nadat de belastingaangifte over 2008 was gedaan een schriftelijk verzoek om draagkrachtmeting moest indienen. Nu hij conform deze informatie heeft gehandeld en in voorgaande jaren door de Minister flexibel werd omgegaan met de uiterste termijn van indienen van verzoeken om de termijnbedragen te verlagen, mocht hij erop vertrouwen dat net als in eerdere jaren ook in het jaar 2010 de draagkracht zou worden vastgesteld met ingang van 1 januari. Verder is het gezien zijn inkomenspositie absurd om dergelijke hoge termijnbedragen vast te stellen over de periode januari tot en met mei 2010. </para>
    <para />
    <para>5. De aangevoerde gronden hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. </para>
    <para>	</para>
    <para>5.1. De Minister heeft uitgaande van het (eerst) op 16 mei 2010 gedane verzoek om draagkrachtvaststelling de ingangsdatum van de draagkracht van appellant in overeenstemming met het dwingendrechtelijke artikel 10a.7, eerste lid, van de Wsf 2000 vastgesteld op 1 juni 2010. </para>
    <para />
    <para>5.2.1. Voorts is in het onderhavige geval niet gebleken dat (onverkorte) toepassing van het bepaalde in artikel 10a.7 van de Wsf 2000 heeft geleid tot een onbillijkheid van overwegende aard op grond waarvan de Minister niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om toepassing te geven aan de hardheidsclausule als neergelegd in artikel 11.5 van de Wsf 2000. </para>
    <para />
    <para>5.2.2. Niet is gebleken dat appellant door of onder verantwoordelijkheid van de Minister op het verkeerde been is gezet ten aanzien van de noodzaak van het tijdig indienen van een verzoek om draagkrachtvaststelling. Voor appellants stelling dat hem in januari 2010 door een medewerker van de DUO telefonisch is meegedeeld dat zodra de belastingaangifte over 2008 was gedaan hij zo spoedig mogelijk schriftelijk moest verzoeken om draagkrachtmeting op grond van zijn dan vastgestelde inkomen, ontbreekt ieder (begin van) bewijs. Degene die stelt dat op grond van een telefonische mededeling, van een medewerker die valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister, dient te worden afgeweken van een dwingendrechtelijke wettelijke bepaling, moet, wil deze stelling voor honorering in aanmerking komen, dit met concrete en verifieerbare gegevens onderbouwen. Daar is appellant ook in hoger beroep niet in geslaagd. </para>
    <para />
    <para>5.2.3. Voorts heeft appellant aan de gang van zaken in voorgaande jaren niet het vertrouwen kunnen ontlenen dat na verstrekking van de benodigde inkomensgegevens de draagkracht met ingang van 1 januari 2010 zou worden vastgesteld. Uit de beschikbare stukken valt af te leiden dat appellant ten aanzien van de jaren 2007 tot en met 2009, anders dan voor het jaar 2010, steeds voor 1 januari van het betreffende kalenderjaar een (incompleet) verzoek om draagkrachtvaststelling heeft ingediend. Dat vervolgens eerst in de loop van die jaren, nadat de voor de beoordeling van de ingediende verzoeken benodigde inkomensgegevens waren verstrekt, de draagkracht door de Minister vanaf 1 januari werd berekend betekent niet dat de draagkracht in die jaren in afwijking van de wet is vastgesteld met terugwerkende kracht. </para>
    <para />
    <para>5.2.4. De wetgever heeft de studerende juist vanwege de mogelijke disproportionaliteit tussen het bedrag van de vastgestelde termijn en de inkomenssituatie de mogelijkheid gegeven om via draagkrachtmeting de maandelijkse afbetalingsverplichting en het inkomen in evenwicht te brengen. Appellant heeft nagelaten deze mogelijkheid in het jaar 2010 ten volle te benutten door eerst in de maand mei 2010 te verzoeken om draagkrachtmeting, hetgeen voor zijn risico en rekening komt. </para>
    <para />
    <para>5.3. Uit hetgeen is overwogen in 5.1 tot en met 5.2.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd. </para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. </para>
    <para>	</para>
    <para>	</para>
    <para>Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 februari 2013.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>						(getekend) T. Hoogenboom</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>						(getekend) M. Sahin</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>IJ</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>