<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:939</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-07-10T12:07:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-07-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-3050 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:939">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:939</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-07-10T13:49:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:939 Centrale Raad van Beroep , 10-07-2013 / 09-3050 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:939:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Met het Uwv is de Raad van oordeel dat de gronden aangevoerd tegen de hoogte van het (vervolg)dagloon buiten de omvang van het geding vallen nu de hoogte van het dagloon niet als een zelfstandig besluitonderdeel wordt aangemerkt. Vernietiging uitspraak. Het beroep tegen het besluit van 8 april 2008 wordt gegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 14 november 2012 wordt ongegrond verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:939:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Centrale Raad van Beroep</para>
  <para>09/3050 WAO, 11/7367 WAO, 12/6557 WAO </para>
  <para>Meervoudige kamer</para>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
    <para>23 april 2009, 08/1895 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [A. te B.] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>De Raad heeft bij tussenuitspraak van 5 september 2012 (LJN BX6443) het Uwv opgedragen het in die tussenuitspraak vastgestelde gebrek in het bestreden besluit van het Uwv van </para>
    <para>17 november 2011 te herstellen. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <?linebreak?>Het Uwv heeft ter uitvoering van de tussenuitspraak een gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 november 2012 en het daaraan ten grondslag gelegde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 25 september 2012 en van de bezwaararbeidsdeskundige van </para>
    <para>12 november 2012 overgelegd. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij brief van 6 december 2012 heeft appellant van de gelegenheid gebruik gemaakt om zijn zienswijze op de gewijzigde beslissing op bezwaar van 14 november 2012 schriftelijk naar voren te brengen. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Vervolgens hebben partijen nog op elkaars zienswijzen gereageerd.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Met overeenkomstige toepassing in hoger beroep van artikel 8:57, tweede lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de Raad bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. </para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>2.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van </para>
          <para>14 november 2012 de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) van appellant per 22 februari 2007 vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Aan het besluit van 14 november 2012 liggen rapporten ten grondslag van bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink van 25 september 2012 en bezwaararbeidsdeskundige P.W.A. Thoen van 12 november 2012.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.2.</nr>
        <para>Appellant heeft ook de juistheid van het besluit van 14 november 2012 betwist. Hij kan zich verenigen met de toekenning van een volledige WAO-uitkering per 22 februari 2007. Hij kan zich echter niet verenigen met het in het gewijzigde besluit genoemde uitkeringspercentage van 70 alsmede met de hoogte van het dagloon. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>2.3.</nr>
        <para>Het Uwv heeft bij brief van 18 februari 2013 gereageerd op de gronden van appellant. Wat betreft het uitkeringspercentage van 70 deelt het Uwv mee dat met de verhoging naar 75%, welke eerst per 1 juli 2007 is ingegaan, bij de verdere berekening van de uitkering rekening wordt gehouden. De gronden met betrekking tot de hoogte van het (vervolg)dagloon vallen volgens het Uwv buiten de omvang van het onderhavige geding. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para>
        <?linebreak?>
        <?linebreak?>3. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.</nr>
        <para>Aangezien het besluit van 14 november 2012 aan het beroep niet geheel tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb dit beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 14 november 2012. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.</nr>
        <para>Het geschil beperkt zich tot de hoogte van het (vervolg)dagloon, nu appellant de Raad heeft meegedeeld zich te kunnen vinden in de toekenning van een volledige WAO-uitkering per 22 februari 2007 en er overigens geen gronden tegen de medische grondslag van het besluit van 14 november 2012 zijn aangevoerd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.</nr>
        <parablock>
          <para>Met het Uwv is de Raad, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 15 juni 2012 </para>
          <para>(LJN BW8531), van oordeel dat de gronden aangevoerd tegen de hoogte van het (vervolg)dagloon buiten de omvang van het onderhavige geding vallen nu de hoogte van het dagloon niet als een zelfstandig besluitonderdeel wordt aangemerkt.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.4.</nr>
        <para>Uit 3.1 tot en met 3.3 vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep tegen het besluit van 8 april 2008 wordt gegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit van 14 november 2012 wordt ongegrond verklaard. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De Raad wijst het verzoek van appellant, om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, toe. Voor de wijze waarop het Uwv de rente dient te berekenen, verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 25 januari 2012 (LJN BV1958).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          <?linebreak?>
          <?linebreak?>5. De Raad ziet aanleiding om het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op </para>
        <para>€ 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting ) voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 1888,- (1 punt voor het beroepschrift, 2 punten vanwege het 2 maal verschijnen ter zitting en 2 x een ½ punt voor een schriftelijke reactie) voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. </para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>5.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Op grond van artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb, komen kosten van een deskundige, die aan een partij verslag heeft uitgebracht, voor vergoeding in aanmerking. Tussen partijen is niet in geschil dat verzekeringsarts W.M. van der Boog en psychiater </para>
          <para>dr. D.P. Ravelli zijn aan te merken als deskundigen in de zin van deze bepaling. De Raad ziet aanleiding om, naast een proceskostenveroordeling voor verleende rechtsbijstand, het Uwv tevens te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de door appellant ingeschakelde deskundigen ten bedrage van in totaal € 1422,-. <?linebreak?><?linebreak?></para>
        </parablock>
        <para />
        <para />
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het besluit van 14 november 2012 ongegrond; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 3.310,-; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 149,- vergoedt.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan C.P.J. Goorden als voorzitter en A.I. van der Kris en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) C.P.J. Goorden</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) D. Heeremans</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>IvR</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>