<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:1565</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-08-29T09:40:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-08-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-6419 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:1565">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:1565</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-08-29T09:36:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-08-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:1565 Centrale Raad van Beroep , 28-08-2013 / 11-6419 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:1565:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gelet op het feit dat het Uwv aan appellant een WW-uitkering heeft toegekend ter hoogte van 70% van zijn loon, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van loonschade die door het Uwv moet worden vergoed. De door appellant geclaimde schade met betrekking tot de aanvulling op grond van de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking op de verplichting van de werkgever om 70% van het loon te betalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:1565:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>11/6419 WIA </para>
  <parablock>
    <para>Datum uitspraak: 28 augustus 2013</para>
  </parablock>
  <para>Centrale Raad van Beroep</para>
  <para>Meervoudige kamer</para>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van </para>
    <para>4 oktober 2011, 11/2423 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens appellant heeft mr. M.A. Jansen, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jansen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Bij besluit van 19 augustus 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat voor hem met ingang van 15 juli 2010 geen aanspraak bestaat op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat hij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. In dit besluit is tevens aan appellant meegedeeld dat zijn werkgever onvoldoende inspanningen heeft geleverd ten aanzien van zijn re-integratie en dat er aanleiding zou zijn om de werkgever een loonsanctie op te leggen. Omdat verzuimd is tijdig een loonsanctie op te leggen, is dit niet meer mogelijk. Appellant is met ingang van </para>
      <para>15 juli 2010 tot en met 14 april 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), de eerste twee maanden ter hoogte van 75% van zijn loon en de rest van de looptijd ter hoogte van 70% van zijn loon. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Appellant heeft op 27 augustus 2010 een verzoek om schadevergoeding ingediend in verband met het ten onrechte niet opleggen van de loonsanctie. Bij besluit van 2 februari 2011 heeft het Uwv dit verzoek afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit op bezwaar van 14 april 2011 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad </para>
      <para>- onder meer de uitspraken van 27 augustus 2008, LJN BE9388 en 28 juli 2010, </para>
      <para>LJN BN2757 - overwogen dat de schadevergoeding als gevolg van loonderving zich beperkt tot 70% van het loon, althans het wettelijk minimumloon. Hetgeen een werkgever meer betaald zou hebben, kan dan ook niet gelden als schade ten gevolge van het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie. Dit is niet anders in het geval een werknemer het Uwv aanspreekt voor schade als gevolg van het niet opleggen van een loonsanctie. Gelet op het feit dat het Uwv aan appellant vanaf 15 juli 2010 een WW-uitkering heeft toegekend ter hoogte van 70% van zijn loon, is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van loonschade die door het Uwv moet worden vergoed. De door appellant geclaimde schade met betrekking tot de aanvulling op grond van de Collectieve Arbeidsovereenkomst (CAO) heeft naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking op de verplichting van de werkgever om 70% van het loon te betalen. Het vereiste causale verband tussen het achterwege laten van een loonsanctie en deze schade ontbreekt. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de pensioenschade. </para>
      <para />
      <para>3. In hoger beroep heeft appellant er op gewezen dat zijn werkgever - anders dan in de door de rechtbank genoemde uitspraken - bij het opleggen van een loonsanctie op grond van de geldende CAO (en de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst) 100% loon dient door te betalen. Volgens appellant is er wel sprake van een causaal verband. Indien de loonsanctie tijdig zou zijn opgelegd had hij aanspraak gehad op 100% loondoorbetaling. De aanvullende betaling tot 100% is in zijn situatie niet afhankelijk van een nadere beslissing van de werkgever nadat de loonsanctie is opgelegd, maar volgt volgens appellant direct uit het opleggen van de loonsanctie en de wettelijke plicht tot naleving van de CAO. Er is in dit geval geen sprake van een extra schakel in de keten van gevolgen van het onrechtmatig handelen door het Uwv. Het opleggen van de loonsanctie zou appellant direct een loonvordering van 100% hebben opgeleverd. De schade bestaat dan ook uit het gemiste rechtens afdwingbare loon. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <para>Hetgeen door appellant is aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De door de rechtbank gegeven overwegingen kunnen volledig onderschreven worden. De rechtbank heeft daarbij terecht verwezen naar de vaste rechtspraak van de Raad. Daarin is meermaals geoordeeld dat de schadevergoeding in het geval van het ten onrechte niet opleggen van een loonsanctie zich beperkt tot 70% van het loon, althans het wettelijk minimumloon. Dit is niet anders wanneer de werkgever op grond van de voor hem geldende CAO bij het opleggen van een loonsanctie verplicht is om 100% van het loon door te betalen. Deze plicht tot 100% loondoorbetaling volgt niet uit artikel 7:629 van het Burgerlijk Wetboek (BW), maar uit de (Wet op de ) CAO. Nu in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA uitsluitend verwezen wordt naar artikel 7:629 van het BW valt de door appellant geclaimde schade, bestaande uit 30% loonderving, op grond van de CAO wegens het gemis aan het vereiste causale verband, niet aan het Uwv toe te rekenen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <para>Uit hetgeen in 4.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en </para>
      <para>A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) J.J.T. van den Corput</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(getekend) E. Heemsbergen</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>