<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:1494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-03T15:17:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-08-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-08-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">13-678 AWBZ</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537">Algemene wet bestuursrecht</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:35">Algemene wet bestuursrecht 4:35</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2013/289 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:1494">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:1494</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-08-21T12:43:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-08-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:1494 Centrale Raad van Beroep , 21-08-2013 / 13-678 AWBZ</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:1494:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering persoonsgebonden budget. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat er geen plaats is voor aanvullende werking van artikel 4:35 van de Awb en dat appellant die bepaling niet aan de afwijzing van de aanvraag om verlening van een pgb ten grondslag heeft kunnen leggen. Namens betrokkene is aangegeven dat betrokkene niet langer zelf de financiën rond zijn zorg hoeft te regelen en dat een pgb, zoals indertijd aangevraagd, niet langer nodig en door hem gewenst is. Het beroep wordt wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:1494:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Centrale Raad van Beroep</para>
  <para>13/678 AWBZ </para>
  <para>Meervoudige kamer</para>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van </para>
    <para>13 december 2012, 12/1892 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zorgkantoor Delfland Westland Oostland Nieuwe Waterweg Noord (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij brief van 29 januari 2013 heeft mr. M.F. van der Mersch, advocaat, zich gesteld als gemachtigde van appellant. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Namens betrokkene heeft mr. C.W. Langereis, advocaat, een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2013. Deze zaak is gevoegd behandeld met het onderzoek in de zaken 12/3280 AWBZ en 12/3281 AWBZ. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. Langereis. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van der Mersch en R. Nyns. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>1.1.</nr>
        <para>De Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) heeft op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) aan betrokkene voor de periode van 3 december 2010 tot en met 2 december 2012 een indicatie verleend voor zorg. Betrokkene heeft voor de realisering van de geïndiceerde zorg bij appellant een aanvraag om verlening van een persoonsgebonden budget (pgb) ingediend. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.2.</nr>
        <para>Bij besluit van 24 november 2011 heeft appellant de aanvraag afgewezen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.3.</nr>
        <para>Bij besluit van 4 april 2012 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 24 november 2011 ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant, onder verwijzing naar artikel 4:35, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ten grondslag gelegd dat betrokkene niet in staat is de regie over zijn zorg te voeren, zodat een gegronde reden bestaat om het pgb te weigeren. De omstandigheid dat betrokkene van derden ondersteuning krijgt, betekent niet dat hij zelf in staat is tot het voeren van de regie over zijn zorg.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat appellant het bepaalde in artikel 4:35 van de Awb niet aan de afwijzing van de aanvraag om verlening van een pgb ten grondslag heeft kunnen leggen. De Regeling subsidies AWBZ (Regeling) schrijft in artikel 2.6.3 dwingend voor in welke situaties appellant een pgb dient te verstrekken en geeft in artikel 2.6.4 een limitatieve opsomming van de situaties waarin geen pgb wordt verstrekt. Gelet op de bij deze specifieke bepalingen gemaakte afwegingen is er geen plaats voor aanvullende werking van de algemene bepaling van artikel 4:35 van de Awb. Nu die bepaling een discretionair karakter heeft, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank daarbij geen grond om te oordelen dat die kan worden toegepast met voorbijgaan aan de beperking die ligt besloten in de lagere, specifieke bepaling. Verder heeft de rechtbank beslissingen gegeven over vergoeding van proceskosten en griffierecht. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank een te beperkte uitleg aan de aard en de werking van artikel 4:35 van de Awb heeft gegeven. Artikel 4:35 van de Awb heeft, gelet op de tekst van de bepaling en de wetsgeschiedenis, een aanvullende werking ten opzichte van een specifieke subsidieregeling. De weigeringsgronden als bedoeld in dat artikel kunnen volgens appellant dan ook bij iedere subsidie worden ingeroepen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <parablock>
          <para>Artikel 4:35, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, luidt:</para>
          <para>“De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:</para>
        </parablock>
        <para>a. (…)</para>
        <para>b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;</para>
        <para>c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.”</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <para>Aan de memorie van toelichting op artikel 4:35 van de Awb kan het volgende worden ontleend. In het algemeen bepaalt de concrete subsidieregeling in welke gevallen een subsidie kan worden geweigerd, omdat de weigeringsgronden nauw samenhangen met aard en doel van de desbetreffende subsidie. Aan een beperkt aantal weigeringsgronden bestaat echter bij vrijwel iedere subsidie behoefte. Uit oogpunt van harmonisatie van wetgeving is het gewenst deze gronden in de Algemene wet bestuursrecht neer te leggen. Artikel 4:35 voorziet daarin. De in deze bepaling neergelegde weigeringsgronden zijn aanvullend: zij gelden naast de eventueel in de concrete subsidieregeling neergelegde weigeringsgronden. Dit is in de aanhef van zowel het eerste als het tweede lid tot uitdrukking gebracht door de woorden "in ieder geval". (Kamerstukken II 1993-1994, 23 700, nr. 3, p. 58).</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.</nr>
        <para>De concrete subsidieregeling die betrekking heeft op het pgb is de Regeling. De weigeringsgronden zijn opgenomen in artikel 2.6.4 van de Regeling. Gelet op de in 4.2 weergegeven toelichting zijn de in artikel 4:35 van de Awb neergelegde weigeringsgronden aanvullend op de in artikel 2.6.4 van de Regeling neergelegde weigeringsgronden. Appellant is dan ook bevoegd te beoordelen of artikel 4:35 van de Awb kan worden toegepast.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.</nr>
        <para>Uit het onder 4.1 tot en met 4.3 overwogene volgt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen plaats is voor aanvullende werking van artikel 4:35 van de Awb en dat appellant die bepaling niet aan de afwijzing van de aanvraag om verlening van een pgb ten grondslag heeft kunnen leggen. Daaruit volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.</para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.5.</nr>
        <para>De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. <?linebreak?>Mr. Langereis heeft in het verweerschrift vermeld dat betrokkene niet langer zelf de financiën rond zijn zorg hoeft te regelen en dat een pgb, zoals indertijd aangevraagd, niet langer nodig en door hem gewenst is. Ter zitting heeft mr. Langereis erkend dat betrokkene geen belang meer heeft bij een nadere beoordeling van het geschil. De Raad zal dan ook, doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen het bestreden besluit wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaren. </para>
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het besluit van 4 april 2012 niet-ontvankelijk.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en W.H. Bel en M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) R.M. van Male</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) M.R. Schuurman</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>HD</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>