<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:1285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-03T15:17:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-08-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-08-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-2541 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703">Wet werk en bijstand</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=40">Wet werk en bijstand 40</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2013/303</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:1285">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:1285</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-08-06T15:10:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:1285 Centrale Raad van Beroep , 06-08-2013 / 12-2541 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:1285:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:1285:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Centrale Raad van Beroep</para>
  <para>12/2541 WWB </para>
  <para>Enkelvoudige kamer</para>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van </para>
    <para>25 april 2012, 11/7241 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellant heeft mr. C. Ekholm, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 25 juni 2013, waar partijen niet zijn verschenen.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <paragroup>
      <nr>1.</nr>
      <para>De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>1.1.</nr>
        <para>Appellant heeft zich op 10 januari 2011 gemeld voor het aanvragen van bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellant heeft vervolgens op 20 januari 2011 een aanvraag ingediend. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.2.</nr>
        <para>Appellant staat sinds 11 januari 2011 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1] te [plaatsnaam]. Omdat appellant tijdens het intakegesprek op 17 maart 2011 verklaarde dat hij feitelijk verbleef op het adres [adres 2] te [plaatsnaam], is op diezelfde dag op dat adres een huisbezoek afgelegd. Daarbij is vastgesteld dat appellant inderdaad op dat adres verbleef. Appellant is toen verzocht zijn GBA-inschrijving in overeenstemming te brengen met zijn feitelijke woonadres.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.3.</nr>
        <para>Bij besluit van 22 maart 2011 heeft het college appellant met ingang van 10 januari 2011 bijstand toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft appellant daarbij meegedeeld dat de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB op hem van toepassing zijn.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.4.</nr>
        <para>Bij brief van 22 maart 2011, aangevuld bij een tweede brief van gelijke datum, is appellant meegedeeld dat de uitbetaling van de bijstand vanaf 1 april 2011 wordt opgeschort in afwachting van het inschrijvingsbewijs betreffende de [adres 2] of een ander adres waar hij zijn hoofdverblijf eventueel gaat hebben. Appellant is verzocht voor 5 april 2011 met zijn consulent contact op te nemen en is gewaarschuwd dat het recht op bijstand wordt opgeschort als hij niet binnen deze termijn reageert. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.5.</nr>
        <para>Bij besluit van 5 april 2011 heeft het college het recht op bijstand vanaf 1 april 2011 opgeschort omdat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt en hem gewaarschuwd dat de bijstand vanaf 1 april 2011 wordt ingetrokken als hij niet voor 19 april 2011 contact opneemt met zijn consulent om het verzuim te herstellen.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.6.</nr>
        <para>Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college de bijstand vanaf 1 april 2011 ingetrokken omdat appellant niet binnen de daartoe geboden termijn het geconstateerde verzuim heeft hersteld.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>1.7.</nr>
        <para>Bij besluit van 23 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen het blokkeren van de uitbetaling van de bijstand, de opschorting van het recht op bijstand en de intrekking van de bijstand ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de impliciete weigering hem ontheffing te verlenen van de bij besluit van 22 maart 2011 opgelegde verplichtingen niet-ontvankelijk verklaard.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <para>Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hem niet kan worden verweten dat op 22 maart 2011 zijn adresgegevens nog niet gecorrigeerd waren. Het was het college bekend dat hij zich niet op zijn woonadres kon laten inschrijven. Appellant was hard op zoek naar andere woonruimte, maar hij had niet de middelen om een huurcontract af te sluiten. Omdat hij extra tijd nodig had om een huurcontract af te sluiten en om de gegevens in de GBA aan te passen, is er telefonisch contact geweest met de bijstandsconsulent van appellant om uitstel te vragen. Appellant stelt dat hem het gevraagde uitstel ook is verleend. Appellant meent daarom vanaf 1 april 2011 aanspraak te hebben op bijstand en dat bij het bepalen van de arbeidsverplichtingen rekening dient te worden gehouden met zijn medische beperkingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.</nr>
      <para>De Raad komt tot de volgende beoordeling waarbij hij voor de hier van toepassing zijnde bepalingen van de WWB verwijst naar de aangevallen uitspraak.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <para>Niet in geschil is dat het adres waar appellant feitelijk verbleef ook na de toekenning van de bijstand afweek van het adres waaronder hij in de GBA stond ingeschreven. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hem van deze afwijking redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. Appellant heeft op 17 maart 2011 verklaard dat hij slechts tijdelijk op het adres [adres 2] kon verblijven en dat hij over zijn verblijf op dat adres afspraken had gemaakt met de vriend van de hoofdbewoonster van de woning en niet met de hoofdbewoonster zelf. Dat de hoofdbewoonster van de woning [adres 2] tijdens het huisbezoek op 17 maart 2011 heeft verklaard appellant geen toestemming te geven om zich op haar adres in te schrijven, dient onder deze omstandigheden voor rekening en risico van appellant te blijven. Gelet hierop heeft het college terecht met toepassing van artikel 40, derde lid, van de WWB het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 april 2011 opgeschort.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <para>Vast staat dat appellant de in de GBA opgenomen adresgegevens niet voor 19 april 2011 heeft aangepast aan zijn feitelijke woonadres. Appellant heeft zijn stelling dat hij voor 19 april 2011 telefonisch contact heeft opgenomen met zijn bijstandsconsulent om uitstel te vragen en dat hem het gevraagde uitstel ook is verleend, niet met stukken onderbouwd. Ook in de gedingstukken zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van die stelling. Gelet hierop heeft het college terecht met toepassing van artikel 40, zesde lid, van de WWB het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 april 2011 ingetrokken. De gronden van appellant die zien op de hem bij besluit van 22 maart 2011 opgelegde arbeidsverplichtingen behoeven daarom geen bespreking meer.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.</nr>
        <para>Uit 4.1 en 4.2 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) E.C.R. Schut</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>						(getekend) M.R. Schuurman</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>EH</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>