<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2013:1139</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-07-25T09:56:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2013-07-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-80 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:1139">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2013:1139</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-07-25T09:47:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2013:1139 Centrale Raad van Beroep , 24-07-2013 / 12-80 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2013:1139:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Appellante haar WAO-uitkering is beëindigd omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Appellante heeft zich later toegenomen arbeidsongeschikt gemeld en heeft een beroep gedaan op de Amber regeling van art. 39a WAO. Uwv oordeelt dat er geen sprake is van een periode waarin appellante ten minste vier weken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als die waarvoor zij eerder een WAO-uitkering heeft ontvangen. De Raad oordeelt dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie kan niet leiden tot een andersluidend oordeel. Het Uwv heeft terecht geweigerd appellante opnieuw voor een WAO-uitkering in aanmerking te brengen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2013:1139:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>Centrale Raad van Beroep</para>
  <para>12/80 WAO</para>
  <para>Enkelvoudige kamer</para>
  <parablock>
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van </para>
    <para>20 december 2011, 11/1867 (aangevallen uitspraak)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Partijen:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [A. te B.] (appellante)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para>Namens appellante heeft mr. C.J. Driessen, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Driessen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
    <para>mr. R.E.J.P.M. Rutten.</para>
  </parablock>
  <section role="overwegingen">
    <title>OVERWEGINGEN</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Appellante heeft vanaf 24 maart 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit, genomen op bezwaar, van </para>
      <para>27 februari 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante per 16 december 2007 ingetrokken, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt. Met de uitspraak van de Raad van 4 maart 2011, 10/4254 WAO, staat dit besluit in rechte vast.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Op 29 juni 2010 heeft appellante zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld en een beroep gedaan op de zogenoemde Amber regeling van artikel 39a van de WAO. In dat kader heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Op basis van het rapport van de verzekeringsarts R. Bonneur van 23 december 2010 heeft het Uwv bij besluit van </para>
      <para>17 januari 2011 geweigerd appellante voor een WAO-uitkering in aanmerking te brengen, aangezien er vanaf 29 juni 2010 geen sprake is geweest van een periode waarin appellante tenminste 4 weken toegenomen arbeidsongeschikt is geweest ten gevolge van dezelfde ziekteoorzaak als die waarvoor zij eerder een WAO-uitkering heeft ontvangen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.3. Bij besluit van 31 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 januari 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapportage van bezwaarverzekeringsarts H.H. Häuser van 23 mei 2011 ten grondslag gelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen in de thans beschikbare medische gegevens geen steun te vinden voor de stelling van appellante dat haar psychische gesteldheid, vergeleken met de voor haar geldende beperkingen op </para>
        <para>16 december 2007, ten gevolge van een objectiveerbare ziekte of gebrek zodanig is verslechterd dat zij op 29 juni 2010 en gedurende tenminste 4 weken daarna als toegenomen arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.</nr>
      <parablock>
        <para>In hoger beroep heeft appellante in essentie haar standpunt herhaald dat er per </para>
        <para>16 december 2007 wel degelijk sprake was van een toename van haar psychische beperkingen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante overgelegd een verklaring van de huisartsenpost van 20 augustus 2012 en een indicatiebesluit van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ), Zorgkantoor Noordoost Brabant, met ingangsdatum 21 november 2012.</para>
      </parablock>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>4.1.</nr>
        <para>De Raad oordeelt als volgt.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.2.</nr>
        <para>Voor het wettelijk kader verwijst de Raad naar rechtsoverweging 8 van de aangevallen uitspraak.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.3.</nr>
        <para>Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medische onderzoek, dat het Uwv aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en dat de aan dit onderzoek verbonden conclusies door de beschikbare gegevens kunnen worden gedragen. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.4.</nr>
        <parablock>
          <para>De door appellante in hoger beroep overgelegde informatie kan niet leiden tot een andersluidend oordeel, in de eerste plaats gezien de omstandigheid dat beide stukken dateren van ruim na de in dit geding van belang zijnde datum. Het verslag van de verrichtingen van de huisartsenpost handelt over de gevolgen van een vechtpartij bij een betalingsconflict op </para>
          <para>20 augustus 2012 en biedt uit dien hoofde geen enkel aanknopingspunt voor het standpunt van appellante. Het CIZ indicatiebesluit is opgesteld ten behoeve van de toekenning van zorg in het kader van de Algemene wet bijzondere ziektekosten en gaat uit van een geheel ander beoordelingskader dan dat van een verzekeringsgeneeskundige beoordeling in de zin van de WAO.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.5.</nr>
        <para>Voor het benoemen van een onafhankelijk deskundige om te adviseren over de gezondheidstoestand van appellante ziet de Raad dan ook geen reden.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>4.6.</nr>
        <para>Gelet op hetgeen in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>BESLISSING</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van </para>
      <para>E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2013.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) J.J.T. van den Corput</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>					(getekend) E. Heemsbergen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>JvC</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>