<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY4732</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T11:42:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY4732</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-2060 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY4732">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY4732</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:12:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY4732 Centrale Raad van Beroep , 23-11-2012 / 11-2060 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY4732:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geen recht op een Wet WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY4732:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>11/2060 WIA </para>
    <para />
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 februari 2011, 10/440 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (appellante)</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 23 november 2012</para>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. H. Beekelaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en daarbij gevoegd rapporten van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 20 juni 2011 en de bezwaararbeidsdeskundige E.F. Couvreur van 6 juli 2011.</para>
    <para />
    <para>Appellante heeft op 26 september 2012 aanvullende gronden ingediend en gereageerd op het verweerschrift. Hierop heeft het Uwv gereageerd door overlegging van rapporten van Koek van 9 oktober 2012 en Couvreur van eveneens 9 oktober 2012.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 oktober 2012.</para>
      <para>Namens appellante is haar gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante was werkzaam als voltijds complexbeveiliger toen zij zich op 27 januari 2007 ziek meldde met klachten aan haar dominante linkerhand en -arm in verband met een verkeersongeval in december 2006.</para>
    <para />
    <para>1.2. Appellante is in het kader van de beoordeling van haar aanspraak op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 30 maart 2009 onderzocht door een verzekeringsarts. In een rapport van 31 maart 2009 beschreef deze arts het onderzoek aan de rechterhand, die normaal was, en aan de linkerhand. Volgens de verzekeringsarts staan de derde tot en met de vijfde vingers van de linkerhand in flexiecontractuur en kunnen deze alleen deels passief gestrekt worden. Duim en wijsvinger links functioneren normaal. De verzekeringsarts beschreef welke problemen appellante ondervond bij een aantal grepen. Voorts stelde zij een beperking vast ten aanzien van langdurig statische en zware dynamische belasting van de nek- en schoudergordel. Beperkingen ten aanzien van de psychische belastbaarheid nam de verzekeringsarts niet waar en ook niet ten aanzien van aandacht, concentratie en overige cognitieve functies. Ten slotte vermeldde de verzekeringsarts dat appellante sinds eind 2008 amitriptyline als medicatie gebruikte. Zij legde de voor appellante vastgestelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek na functieduiding vastgesteld dat er geen verlies van verdienvermogen was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 16 juni 2009 vast dat voor appellante met ingang van 6 februari 2009 geen recht was ontstaan op een Wet WIA-uitkering.</para>
    <para />
    <para>2.1. In de bezwaarprocedure kwam informatie beschikbaar van de neuroloog prof. dr. J.J. van Hilten, die in een brief van 17 februari 2009 over een spreekuurcontact op 12 januari 2009 als diagnose vermeldde een posttraumatische dystonie van de linkerhand. Deze neuroloog vermeldde voorts dat verhoging van de medicatie met Gabapentine volgens appellante leidde tot een verminderd geheugen en concentratiestoornissen en dat na afbouw zou worden gestart met amitriptyline.</para>
    <para />
    <para>2.2. Bezwaarverzekeringsarts R.H.J. van Glabbeek vermeldde in een rapport van 25 november 2009 de beschikbare medische informatie. Nader opgevraagde informatie van Van Hilten uit januari 2008 bevatte geen nieuwe medische feiten. Deze kwamen volgens Van Glabbeek ook niet ter hoorzitting naar voren. Van Glabbeek, die de diagnose van Van Hilten overnam, concludeerde dat de FML aansloot bij de gestelde diagnose en het klinisch beeld en dat er geen medische reden was om af te wijken van de conclusies van de verzekeringsarts. De bezwaararbeidsdeskundige R. Stroband liet in een rapport van 2 december 2009 drie van de vier geduide functies vervallen en selecteerde vervolgens de functies parkeercontroleur (SBC-code 342022), portier, toezichthouder (SBC-code 342021) magazijn-, expeditiemedewerker (SBC-code 111220) en (als reservefunctie) telefonist, receptionist (SBC-code 315120). Het verlies aan verdienvermogen berekende Stroband op 6,15%. Tevens lichtte hij de medische geschiktheid van deze uiteindelijk geduide functies toe. Bij besluit van 15 december 2009 verklaarde het Uwv het tegen het besluit van 16 juni 2009 gemaakte bezwaar ongegrond.</para>
    <para />
    <para>3.1. In beroep diende appellante een rapport van de neuroloog P. Verlooy van 15 december 2009 in. Hij beschreef de klachten van de linkerhand en overbelastingsklachten van de rechterhand, waardoor deze regelmatig pijnlijk was. Concentratieklachten documenteerde Verlooy niet. Voorts beschreef hij het onderzoek aan de linkerhand en gaf hij een overzicht van de beschikbare medische gegevens, waarbij diverse neurologen en psychiaters verschillende diagnosen stelden. Verlooy diagnosticeerde zelf een complex regionaal pijnsyndroom type I, gepaard gaande met dystonie. Wat betreft loonvormende arbeid concludeerde Verlooy dat werkzaamheden met twee handen sterkt beperkt waren met een volledige beperking voor klimmen en klauteren en dat sprake was van een matige beperking voor hand- en vingergebruik omdat dat grotendeels door de rechterhand diende te worden gedaan. Tevens meldde Verlooy dat fietsen sterk beperkt was.  </para>
    <para />
    <para>3.2. Van Glabbeek wees in zijn reactie van 14 juli 2010 erop dat het uiteindelijk gaat om het in kaart brengen van de beperkingen en dat het rapport van Verlooy deze niet wijzigden.</para>
    <para />
    <para>4.1. De rechtbank verklaarde bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 15 december 2009 (bestreden besluit) ongegrond.</para>
    <para />
    <para>4.2. De rechtbank stelde in de eerste plaats vast de betwisting door appellante van tijdige ontvangst van het bestreden besluit niet ongeloofwaardig te achten. Voorts oordeelde zij verzending van het bestreden besluit op 15 december 2009 niet aangetoond. Zij ging van verzending op 17 december 2009 uit, de dag waarop appellante in elk geval met de inhoud van het bestreden besluit bekend was. Hiervan uitgaande liep de beroepstermijn, aldus de rechtbank, tot en met 28 januari 2010, zodat het op die dag door haar ontvangen beroepschrift dus tijdig was ingediend. </para>
    <para />
    <para>4.3. De rechtbank zag geen aanleiding tot twijfel aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Volgens haar volgde uit de zich in het dossier bevindende stukken niet dat appellante ook beperkt was in het gebruik van haar rechterhand en ook overigens niet meer beperkt was dan door de (bezwaar)verzekeringsarts was aangenomen.</para>
    <para />
    <para>4.4. De rechtbank volgde appellante niet in haar standpunt dat de functie parkeercontroleur niet kon worden vervuld met één arm, dat appellante niet met de fiets kon deelnemen aan druk stadsverkeer en niet kon omgaan met agressieve klanten. De rechtbank achtte de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige bij deze functie voldoende. Daarbij wees zij erop dat appellante weliswaar behoorlijk beperkt is ten aanzien van het gebruik van haar linkerarm, maar niet feitelijk eenarmig is en in de FML ook niet beperkt is voor vervoer en omgang met agressieve of onredelijke mensen. Wat betreft het ontbreken van een motivering voor het onderdeel boven schouder hoogte actief zijn in de functie parkeercontroleur merkte de rechtbank op dat de geringe dagelijkse belasting in deze functie op dit aspect kennelijk niet overschreed de beperking van appellante dat zij minder dan vijf minuten achtereen boven schouderhoogte actief kan zijn.</para>
    <para />
    <para>5.1. In hoger beroep heeft appelante haar standpunt herhaald dat in de FML onvoldoende beperkingen zijn opgenomen en dat het Uwv de invloed van de medicatie op haar concentratie in de aangevallen uitspraak niet heeft onderzocht. Voorts heeft appellante haar gronden tegen de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies nader uiteengezet. Deze heeft haar gemachtigde in een brief van 26 september 2012 en ter zitting nog nader toegelicht.</para>
    <para />
    <para>5.2. Het Uwv heeft op het hoger beroepschrift en op de in 5.1 bedoelde brief gereageerd door overlegging van de in de rubriek “Procesverloop” vermelde rapporten.</para>
    <para />
    <para>6.1. De Raad onderschrijft op zich het oordeel van de rechtbank dat het beroep van appellante tegen het bestreden besluit tijdig is ingediend, zij het dat uit het zich in het dossier bevindende telefoonverslag van 17 december 2009 niet anders kan worden afgeleid dan dat appellante het bestreden besluit op die dag heeft ontvangen, hetgeen aannemelijk maakt dat het niet aangetekende bestreden besluit op 15 of 16 december 2009 is verzonden. Nu het beroepschrift op 28 januari 2010 door de rechtbank is ontvangen, zodat verzending daarvan op 26 of 27 januari 2010 aannemelijk is, acht de Raad het aangewezen appellante het voordeel van de twijfel te geven. Voor het vaststellen van een verzendatum voor de beide evenvermelde verzendmomenten is het immers, waar in beide gevallen twee verzenddata mogelijk zijn, niet mogelijk een sluitende redenering te geven.</para>
    <para />
    <para>6.2. De Raad heeft geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Naast hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen merkt de Raad op dat uit de beschikbare medische gegevens niet valt af te leiden dat de omstandigheid dat, zoals bijvoorbeeld in het rapport van de neuroloog Verlooy naar voren komt, haar rechterhand door overbelasting vaak pijnlijk is, aanleiding diende te geven tot het opnemen in de FML van  juist ook die hand betreffende functionele beperkingen. Weliswaar komt in de FML alleen een lichte beperking ten aanzien van klimmen en klauteren voor, doch deze belasting komt in de resterende functies in het geheel niet voor. Wat betreft de medicatie wijst de Raad er in de eerste plaats op dat de verzekeringsarts bij het psychisch onderzoek geen aanwijzingen voor concentratieverlies of verhoogde vermoeidheid waarnam en deze ook niet door Verlooy zijn gemeld. Voorts acht de Raad van belang dat Koek, die in haar rapport van 20 juni 2011 uitging van het gebruik ten tijde van de datum in geding van amitriptyline, opmerkte dat de klachten van geheugen- en concentratieverlies verband hielden met eerdere door appellante gebruikte andere medicatie. </para>
    <para />
    <para>6.3. De Raad heeft ook geen aanleiding gezien het oordeel van de rechtbank over de medische geschiktheid van de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies voor onjuist te houden. Ook indien de functie magazijn-, expeditiemedewerker zou vervallen, omdat ook ter zitting geen duidelijkheid kon worden verkregen over grootte en omvang van de (in) te pakken lesmaterialen, resteren drie functies met voldoende arbeidsplaatsen als grondslag van het bestreden besluit. Wat betreft het fietsen in de functie parkeercontroleur (SBC-code 342022, functienummer 9011-0034-002) - volgens het resultaat functiebeoordeling betreft dit alleen het fietsen met een collega van de kantoorwerkplek naar het stadscentrum - ziet de Raad, nog afgezien van de gegeven motivering bij het aspect 4.3.5 in het rapport van Stroband van 2 december 2009, niet in dat met de platte linkerhand steunend op het linker handvat van het fietsstuur niet reeds voldoende zelfstandig sturend vermogen met die hand - in combinatie met het sturend vermogen met de rechterhand - kan worden bewerkstelligd. Ook zou, zo komt het de Raad voor, nu als vermeld het fietsen naar de werkplek met een collega geschiedt, op een tandem kunnen worden gefietst, zijnde een voorziening waarvan niet bij voorbaat kan worden gezegd, dat verstrekking niet in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Verder acht de Raad de toelichting bij het aspect 5.7 (boven schouderhoogte actief zijn) in het rapport van Stroband van 2 december 2009 bij de functies parkeercontroleur en portier, toezichthouder, zij het wat betreft die laatste functie met inachtneming van de correctie in het rapport van Couvreur van 6 juli 2011, voldoende. Ten slotte slaagt de grond van appellante over de haar inziens te hanteren reductiefactor binnen de SBC-code 315120 (twee functies telefonist, receptionist met twee onderscheidenlijk elf arbeidsplaatsen) niet, gezien de rechtspraak van de Raad daarover zoals die naar voren komt in onder andere zijn uitspraak van 6 maart 2009 (LJN BH5145).</para>
    <para />
    <para>6.4. De overwegingen 6.2 en 6.3 brengen de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding. </para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 november 2012.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) C.W.J. Schoor</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) Z. Karekezi</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>