<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY4643</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-11-27T17:45:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY4643</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-6542 WUBO + 11-6543 WUV + 12-4858 WUBO + 12-4859 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY4643">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY4643</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:12:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY4643 Centrale Raad van Beroep , 29-11-2012 / 11-6542 WUBO + 11-6543 WUV + 12-4858 WUBO + 12-4859 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY4643:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking periodieke uitkering en DMV-voorziening op grond van de Wuv. De geneeskundig adviseur heeft in de bezwaarfase een gericht medisch onderzoek verricht. Er is geen medische noodzaak voor een voorziening voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY4643:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/6542 WUBO, 11/6543 WUV, 12/4858 WUBO en 12/4859 WUV </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
      <para>Uitspraak in de gedingen tussen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B. ] (appellante)</para>
    <para />
    <para>de Raadskamer WUBO en WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 29 november 2012</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Deze gedingen, die aanvankelijk zijn gevoerd door de Raadskamer WUBO onderscheidenlijk de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), zijn in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV onderscheidenlijk Raadskamer WUBO van de PUR.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 oktober 2011, kenmerk BZ01264889 (bestreden besluit 1). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). </para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. Van Berkel tevens beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 oktober 2011, kenmerk BZ01281692 (bestreden besluit 2). Dit besluit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Op 16 april 2012 heeft verweerder twee nieuwe beslissingen op bezwaar genomen met respectievelijk de kenmerken BZ01460292 en BZ01460731.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2012. Voor appellante is mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.1. Appellante is in [geboortejaar ] geboren in het toenmalige Nederlands-Indië. Bij besluit van 9 juli 2003 heeft verweerder appellante erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Daarbij is aangenomen dat de bij appellante bestaande psychische klachten niet zodanig zijn dat zij als ziekte of gebrek kunnen worden aangemerkt en dat de rugklachten van appellante niet in verband staan met de vervolging. In verband daarmee heeft verweerder geweigerd om aan appellante een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wuv toe te kennen. Tegen dit besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend. Bij besluit van eveneens 9 juli 2003 heeft verweerder erkend dat appellante is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Daarbij is geweigerd om aan appellante een toeslag, een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wubo toe te kennen, op de grond dat geen sprake is van psychisch of lichamelijk letsel ten gevolge van het oorlogsgeweld dat heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft verweerder bij besluit van 21 november 2003 niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante geen beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Namens appellante is in mei 2010 een aanvraag ingediend om een toeslag dan wel een periodieke uitkering alsmede voorzieningen op grond van de Wubo en om een periodieke uitkering en voorzieningen op grond van de Wuv. Bij besluit van 21 oktober 2010 (besluit 1) heeft verweerder aanvaard dat appellante psychische klachten heeft die in verband staan met het door haar meegemaakte oorlogsgeweld en is beslist dat zij aanspraak kan maken op een toeslag en een voorziening voor deelname aan het maatschappelijk verkeer (DMV-voorziening) op grond van de Wubo. Omdat is aangenomen dat overeenkomstige aanspraken op grond van de Wuv gunstiger zijn, is niet overgegaan tot toekenning daarvan. Bij besluit van eveneens 21 oktober 2010 (besluit 2) heeft verweerder aan appellante met ingang van </para>
      <para>1 mei 2010 een periodieke uitkering en een DMV-voorziening op grond van de Wuv toegekend. Bij besluiten 1 en 2 is geweigerd om een voorziening voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten toe te kennen, omdat is aangenomen dat appellante geen beperkingen ondervindt in het gebruik van het openbaar vervoer. De bezwaren van appellante tegen besluiten 1 en 2 zijn ongegrond verklaard bij respectievelijk bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3. In de beroepsfase heeft verweerder bij het besluit van 16 april 2012 met kenmerk BZ01460292 het bezwaar tegen besluit 1 in zoverre gegrond verklaard dat aan appellante met ingang van 1 mei 2010 een toeslag en een DMV-voorziening op grond van de Wubo is toegekend. Bij het besluit van 16 april 2012 met kenmerk BZ01460731 zijn de toegekende periodieke uitkering en DMV-voorziening op grond van de Wuv met ingang van 1 mei 2010 ingetrokken. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat de toeslag en DMV-voorziening op grond van de Wubo, in combinatie met de inmiddels toegekende uitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling, een financieel gunstiger resultaat oplevert dan de reeds toegekende periodieke uitkering en DMV-voorziening op grond van de Wuv. Gezien de hoogte van de inkomsten die appellante per 1 mei 2010 ontvangt, is geweigerd om een garantie-uitkering toe te kennen. Verder is de weigering om een voorziening voor het onderhouden van sociale contacten toe te kennen, gehandhaafd.</para>
    <para />
    <para>2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <para>2.1. Verweerder heeft bestreden besluiten 1 en 2 niet gehandhaafd. Van enig resterend (proces)belang bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze besluiten is niet gebleken. De beroepen tegen deze besluiten zullen om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>2.2. De nieuwe besluiten van 16 april 2012 komen niet volledig aan het bezwaar van appellante tegemoet. Deze besluiten worden daarom met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de gedingen in beroep betrokken.</para>
    <para />
    <para>2.3. In geschil is uitsluitend nog de weigering om aan appellante een voorziening toe te kennen voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.</para>
    <para />
    <para>2.4. Verweerder hanteert het uitgangspunt om pas over te gaan tot toekenning van een dergelijke voorziening als om causale medische redenen sprake is van zodanige beperkingen dat de betrokkene niet met het openbaar vervoer (bus, metro, tram en trein) kan reizen. De Raad heeft meermalen uitgesproken dat deze benadering van verweerder niet onjuist is te achten.</para>
    <para />
    <para>2.5. Het standpunt van verweerder berust op de adviezen van geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts, van 28 juli 2010 en geneeskundig adviseur G.L.G. Kho, arts, van 19 september 2011. Kho heeft in de bezwaarfase een gericht medisch onderzoek verricht. In het daarvan opgestelde verslag is vermeld dat appellante regelmatig gebruik maakt van de bus en dat zij ook met de trein reist, zij het minder frequent aangezien haar woonplaats geen eigen station heeft. Verder is aangegeven dat appellante bij reizen met het openbaar vervoer geen angstklachten ervaart. Volgens Kho is er daarom geen medische noodzaak voor een voorziening voor vervoer voor het onderhouden van sociale contacten.</para>
    <para />
    <para>2.6. De Raad ziet geen aanleiding om het op dit advies gebaseerde standpunt van verweerder niet te volgen. Appellante heeft niet bestreden dat zij regelmatig van het openbaar vervoer gebruik maakt en heeft evenmin medische gegevens ingebracht waaruit zou kunnen blijken dat haar medische beperkingen onjuist zijn ingeschat. Onder deze omstandigheden komt de Raad niet toe aan de vraag of ook de rugklachten van appellante als causaal zijn aan te merken.</para>
    <para> </para>
    <para>2.7. De beroepen van appellante tegen de besluiten van 16 april 2012 moeten dus ongegrond worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep. Deze kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 1.311,- wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 7 oktober 2011 niet-ontvankelijk;</para>
      <para>- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 16 april 2012 ongegrond;</para>
      <para>- bepaalt dat verweerder aan appellante het in beroep betaalde griffierecht van in totaal </para>
      <para>  € 70,- vergoedt;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.311,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2012.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) R. Kooper</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) M.R. Schuurman</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>