<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY4605</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T11:36:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY4605</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-290 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#herziening">Herziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY4605">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY4605</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:11:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY4605 Centrale Raad van Beroep , 29-11-2012 / 12-290 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY4605:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek om herziening. Geen feiten of omstandigheden die voldoen aan de drie in art. 8:88 Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY4605:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12/290 WUV </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 april 2005, 04/3139 WUV</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.]</para>
    <para />
    <para>de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (verweerder)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak 29 november 2012.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), is in deze zaak de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de plaats getreden van de Raadskamer WUV van de Pensioen  en Uitkeringsraad (PUR). </para>
      <para>Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de   voormalige   Raadskamer WUV van de PUR.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verzoeker heeft bij brief van 26 december 2011 verzocht om herziening van de genoemde uitspraak van 21 april 2005.</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2012. Verzoeker is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.</para>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1.1. Ingevolge artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang met artikel 17 van de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die: </para>
      <para>a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, </para>
      <para>b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en </para>
      <para>c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Het   bijzondere   rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als onder 1.1 bedoeld, een hernieuwde discussie over de zaak te voeren of een discussie over de betrokken uitspraak te openen. </para>
    <para />
    <para>1.3. De uitspraak waarvan herziening wordt verzocht, had betrekking op de ingangsdatum van hernieuwde toekenningen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940 1945 (Wuv), nadat in 1995 eerdere toekenningen op verzoek van verzoeker waren ingetrokken. Geoordeeld is dat deze ingangsdatum, gelet op artikel 34 van de Wuv, terecht is bepaald op de eerste dag van de maand waarin om de hernieuwde toekenning was verzocht, te weten 1 november 2002.</para>
    <para />
    <para>1.4. Verzoeker wijst thans op het bepaalde in artikel 34, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wuv. In dat tweede lid is een aantal gevallen omschreven waarin de uitkering wordt beëindigd. Onder a wordt genoemd het overlijden van de uitkeringsgerechtigde. Verzoeker brengt naar voren dat hij nog steeds in leven is. Kennelijk wil hij daarmee zeggen dat zich in 1995 geen grond voordeed waarop de uitkering kon worden beëindigd. Meer in het bijzonder wil hij betogen dat de Wuv een beëindiging van de uitkering op verzoek van de betrokkene niet toestaat, omdat die wijze van beëindiging in artikel 34, tweede lid, niet wordt genoemd. Dit is echter geen nieuw feit of nieuwe omstandigheid. De opvatting van verzoeker is ook niet juist. Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat verweerder de uitkering intrekt indien de betrokkene daarom   ernstig en welgemeend   verzoekt. </para>
    <para />
    <para>1.5. Verzoeker is en blijft van mening dat hij zijn verzoek om intrekking in 1995 in een opwelling van verdriet en woede heeft gedaan. In de uitspraak waarvan herziening is verzocht, heeft de Raad echter reeds geoordeeld dat niet is gebleken dat de in 1995 genomen beslissing van verzoeker om van zijn aanspraken af te zien heeft berust op een wilsgebrek. Die beslissing kan hem daarom worden tegengeworpen. Op dit punt heeft verzoeker niets gesteld wat hij niet reeds eerder naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. </para>
    <para />
    <para>1.6. Hetgeen verzoeker ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening heeft aangevoerd, bevat ook overigens geen feiten of omstandigheden die voldoen aan de drie in artikel 8:88 van de Awb omschreven cumulatieve voorwaarden.</para>
    <para />
    <para>1.7. Dit betekent dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding. </para>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2012.</para>
    <para />
    <para>(getekend) R. Kooper</para>
    <para />
    <para>(getekend) M.R. Schuurman</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>