<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY3657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:52:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY3657</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-7067 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ABkort 2012/389</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY3657">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY3657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:09:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY3657 Centrale Raad van Beroep , 13-11-2012 / 10-7067 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY3657:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Niet-ontvankelijkverklaring beroep. Termijnoverschrijding niet verschoonbaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY3657:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>10/7067 WWB </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 november 2010, 10/292 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[Appellant] te [woonplaats] (appellant)</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 13 november 2012</para>
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft nadere stukken ingezonden.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in de zaken 10/3997 WWB en 12/1225 WWB, plaatsgevonden op 2 oktober 2012. Appellant is verschenen. Het college heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant ontvangt in aanvulling op zijn pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet, bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 4 maart 2005 heeft het college appellant met ingang van 1 april 2005 volledig ontheven van de arbeidsverplichtingen op grond van de Algemene bijstandswet. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 7 juli 2006 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>1.3. Op 16 augustus 2006 en 12 september 2006 heeft appellant zich schriftelijk tot de plaatsvervangend voorzitter van de commissie voor bezwaarschriften (voorzitter) gewend met het verzoek om het besluit van 7 juli 2006 te heroverwegen. Bij brief van 15 september 2006 heeft de voorzitter appellant (onder meer) laten weten dat als appellant het niet eens is met het besluit van 7 juli 2006, hij daartegen beroep kan instellen bij de rechtbank Groningen. </para>
    <para />
    <para>1.4. Bij brief van 16 december 2009 heeft appellant het college verzocht om hem opnieuw het besluit van 7 juli 2006 te doen toekomen met de mededeling dat hij nog zes weken de tijd heeft om beroep in te stellen. Bij het destijds toegezonden besluit van 7 juli 2006 ontbrak ten onrechte een rechtsmiddelenverwijzing. Appellant heeft verder in zijn brief meegedeeld dat hij tegen dat besluit beroep wil instellen bij de rechtbank.</para>
    <para />
    <para>1.5. Bij brief van 18 december 2009 is het verzoek van appellant van 16 december 2009 afgewezen, omdat het besluit van 7 juli 2006 op de juiste wijze is bekendgemaakt.</para>
    <para />
    <para>1.6. Bij besluit van 19 februari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen de brief van 18 december 2009 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaar niet gericht is tegen een besluit.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de brief van appellant van 16 december 2009 op de voet van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aangemerkt als een beroepschrift tegen het besluit van 7 juli 2006. Omdat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Samengevat heeft hij aangevoerd dat het college een onrechtmatige daad heeft gepleegd door hem volledig te ontheffen van de arbeidsverplichtingen, omdat hij nog deelnam aan een outplacementprocedure en hij nog arbeid kon verrichten. Mede vanwege ziekte heeft hij pas zo laat beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Gelet op de strekking van de brief van appellant van 16 december 2009, heeft de rechtbank die brief terecht aangemerkt als een beroepschrift tegen het besluit van 7 juli 2006.</para>
    <para />
    <para>4.2. Niet in geschil is dat het besluit van 7 juli 2006 op de juiste wijze is bekendgemaakt, dat bij dat besluit een rechtsmiddelenclausule als bedoeld in artikel 3:45 van de Awb ontbrak en dat appellant te laat beroep heeft ingesteld. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.</para>
    <para />
    <para>4.3. In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkheid op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.</para>
    <para />
    <para>4.4. Het ontbreken van een rechtsmiddelenverwijzing bij een besluit of een uitspraak leidt in beginsel tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding, wanneer een belanghebbende daar een beroep op doet. Dit is anders wanneer redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken dan wel beroep of hoger beroep moest instellen (CRvB 5 juli 2011, LJN BR1156).</para>
    <para />
    <para>4.5. In het onderhavige geval heeft appellant zich na ontvangst van het besluit van 7 juli 2006 tot de voorzitter gewend, die appellant bij brief van 15 september 2006 heeft meegedeeld dat, als appellant het niet eens is met het besluit, hij beroep kan instellen bij de rechtbank. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, die al vaker procedures heeft gevoerd bij de bestuursrechter, vanaf dat moment in ieder geval redelijkerwijs moest begrijpen dat hij beroep moest instellen. Door hier nog ruim twee en een half jaar mee te wachten, kan niet meer worden gezegd dat de termijnoverschrijding wegens het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule verschoonbaar is. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat de reden waarom hij nog geruime tijd gewacht heeft, (mede) is veroorzaakt door ziekte van appellant, merkt de Raad op dat appellant niet gedurende de gehele periode buiten staat was een beroepschrift in te dienen dan wel daarvoor een derde in te schakelen. Dat appellant zoals hij ter zitting heeft toegelicht - nadat hij hierover advies had ingewonnen - in de veronderstelling verkeerde dat hij daar nog vijf jaar de tijd voor had, dient voor zijn rekening en risico te komen. </para>
    <para />
    <para>4.6. Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en C.H. Bangma en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2012.</para>
    <para />
    <para>(getekend) R.H.M. Roelofs</para>
    <para />
    <para>(getekend) M.R. Schuurman</para>
    <para />
    <para>SG</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>