<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY3245</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T10:33:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY3245</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-1747 MAW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY3245">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY3245</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:07:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY3245 Centrale Raad van Beroep , 15-11-2012 / 11-1747 MAW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY3245:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag individuele bindingspremie. Door aan te knopen bij de van het gesprek op 20 november 2008 opgemaakte notitie van 12 december 2008, heeft de commandant niet ten onrechte vastgesteld dat de kans op uitstroom van appellant per 1 januari 2009 niet groot was. Daarin is namelijk vermeld dat de loopbaanadviseur aan appellant heeft meegedeeld dat aan hem de functie  zal worden toegewezen, aan welke functie de rang van sergeant majoor verbindingsdienst is verbonden. Gelet op de bewoordingen van deze gespreksnotitie volgt de Raad appellant niet in zijn stelling dat alleen maar sprake was van een loopbaanadvies. Appellant heeft - zo heeft hij ter zitting verklaard -  berust in zijn op handen zijnde plaatsing en bevordering en geen andere wensen meer kenbaar gemaakt. Ook heeft appellant geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die hem aan het slot van de notitie is gegeven en niet laten weten dat hij het niet eens was met de inhoud van de gespreksnotitie. Geen beroep op het gelijkheidsbeginsel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY3245:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/1747 MAW</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 februari 2011, 10/7015 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.]</para>
    <para />
    <para>de Commandant Zeestrijdkrachten (commandant)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak 15 november 2012.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Namens appellant heeft mr. M.M. van Breet hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De commandant heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Breet. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.W.C. Naalden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. Appellant was in 2008 werkzaam in de rang van sergeant bij de subdienstgroep verbindingen (SGTMARNVB) van het Korps Mariniers. Bij besluit van 26 februari 2009 heeft de commandant aan appellant met ingang van 2 juli 2009 de functie van chef verbindingscentrum bij het amfibisch logistiek bataljon toegewezen en hem bevorderd tot sergeant majoor (SMJRMARNVB). Bij rekest van 12 januari 2010 heeft appellant verzocht om alsnog in aanmerking te komen voor een individuele bindingspremie. De commandant heeft dit verzoek afgewezen bij besluit van 6 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 augustus 2010 (bestreden besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellant betwist dat zijn kans op uitstroom gering was en, met een beroep op het gelijkheidsbeginsel, aangevoerd dat hij in 2009 wel degelijk aanspraak had op een bindingspremie. De commandant heeft dat betwist.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad oordeelt als volgt.</para>
    <para />
    <para>4.1. In de nota Aanstellings- en bindingspremies 2009 van 24 februari 2009, met kenmerk P/2008033984 (nota 2009) is het beleid betreffende  aanstellings- en bindingspremies voor 2009 bekend gesteld. Er kan een bindingspremie worden toegekend aan medewerkers die op 1 januari 2009 werkzaam waren binnen een vastgestelde categorie van schaars personeel. Daarnaast gelden criteria die bij de gebruikmaking van die bevoegdheid tot toekenning van een bindingspremie ten minste in aanmerking moeten worden genomen. Eén van die criteria is de kans op uitstroom van de betrokken militair.</para>
    <para />
    <para>4.2. Appellant vervulde op 1 januari 2009 een functie die behoorde tot een van de schaarstecategorieën genoemd in bijlage 2 van de nota 2009. Het geschil draait om het criterium kans op uitstroom.</para>
    <para />
    <para>4.3. De commandant heeft de kans op uitstroom van appellant klein ingeschat, aangezien appellant eind 2008 al wist dat hij in 2009 zou worden geplaatst in een naasthogere functie en zou worden bevorderd naar sergeant majoor. Dat was appellant meegedeeld door de loopbaanadviseur in een gesprek op 20 november 2008. Appellant stelt dat dit slechts ging om een - vrijblijvend - advies van de loopbaanadviseur.</para>
    <para />
    <para>4.4. De inschatting van de kans op uitstroom is een beoordeling van de commandant, waarbij een enigszins terughoudende toetsing door de rechter hoort. Door aan te knopen bij de van het gesprek op 20 november 2008 opgemaakte notitie van 12 december 2008, heeft de commandant niet ten onrechte vastgesteld dat de kans op uitstroom van appellant per 1 januari 2009 niet groot was. Daarin is namelijk vermeld dat de loopbaanadviseur aan appellant heeft meegedeeld dat aan hem de functie genoemd onder 1 zal worden toegewezen, aan welke functie de rang van sergeant majoor verbindingsdienst is verbonden. Gelet op de bewoordingen van deze gespreksnotitie volgt de Raad appellant niet in zijn stelling dat alleen maar sprake was van een loopbaanadvies. Appellant heeft - zo heeft hij ter zitting verklaard -  berust in zijn op handen zijnde plaatsing en bevordering en geen andere wensen meer kenbaar gemaakt. Ook heeft appellant geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid die hem aan het slot van de notitie is gegeven en niet laten weten dat hij het niet eens was met de inhoud van de gespreksnotitie. </para>
    <para />
    <para>4.5. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De door appellant genoemde collega’s die alsnog in aanmerking zijn gebracht voor een bindingspremie verkeerden in een andere situatie dan appellant. Voor die collega’s was het, zo is in het verweerschrift uiteengezet, niet eind 2008 al duidelijk dat zij zouden worden bevorderd in 2009. Appellant heeft dit niet weerlegd. Voor collega E geldt nog in het bijzonder dat deze eerst een opleiding met succes moest afronden, voordat hij kon worden bevorderd. Die onzekere factor is een rechtens relevant verschil met de situatie van appellant.</para>
    <para />
    <para>4.6. Dat sprake was van willekeur dan wel categorale toekenning is niet gebleken. Dat bijvoorbeeld binnen de subdienstgroep van appellant niet aan iedereen een bindingspremie is toegekend, wijst er juist op dat geen categorale toekenning plaatsvond. Appellant heeft wel gesteld dat toekenning willekeurig was, maar hij heeft die stelling niet concreet onderbouwd, anders dan met de gevallen genoemd onder 4.5. </para>
    <para />
    <para>5. Het hoger beroep slaagt dus niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door K. Zeilemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M.Crombach als griffier. </para>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 november 2012.</para>
    </parablock>
    <para>						</para>
    <para>(getekend) K. Zeilemaker</para>
    <para>						</para>
    <parablock>
      <para>(getekend) P.J.M. Crombach</para>
      <para>RB</para>
    </parablock>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>