<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY2964</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T10:05:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY2964</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-10-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-5431 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY2964">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY2964</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:07:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY2964 Centrale Raad van Beroep , 31-10-2012 / 10-5431 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY2964:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beëindiging ZW-uitkering. Zorgvuldig medisch onderzoek.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY2964:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/5431 ZW </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 25 augustus 2010, 09/1648 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[Appellante] te [woonplaats] (appellante)</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 31 oktober 2012</para>
    <para> </para>
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. C.F.F. Wilms-aan ’t Goor hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.D. van der Heiden. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Ruis.</para>
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als medewerkerster callcenter voor 32 uur per week. Op 15 december 2008 heeft zij zich ziek gemeld vanwege griepklachten gevolgd door gewrichts- en ernstige vermoeidheidsklachten. Op grond daarvan is haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Na een eerder spreekuurcontact is appellante op 17 juni 2009 opnieuw door een verzekeringsarts gezien. Op grond van de eigen bevindingen is deze arts tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 1 augustus 2009 geschikt is voor haar eigen werkzaamheden. Bij besluit van 3 augustus 2009 is appellantes ZW-uitkering beëindigd met ingang van 1 augustus 2009. </para>
    <para />
    <para>1.2. Appellante heeft tegen het besluit van 3 augustus 2009 bezwaar gemaakt. Daarbij heeft zij brieven ingebracht van de haar behandelende reumatoloog en psycholoog. Bij besluit van 14 september 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van gelijke datum ten grondslag gelegd.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - overwogen dat het Uwv op grond van de aanwezige medische informatie terecht heeft aangenomen dat appellante met ingang van 1 augustus 2009 geschikt was voor haar eigen arbeid. Volgens de rechtbank kunnen de belemmeringen die appellante ten gevolge van haar persoonlijkheidsstructuur ondervindt niet tot een ander oordeel leiden, aangezien geen sprake is van een evidente psychopathologie.</para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellante de juistheid van de aangevallen uitspraak betwist. Appellante heeft haar standpunt gehandhaafd dat zij niet in staat was om haar eigen werkzaamheden te verrichten met name vanwege het langdurige zitten en de hoge werkdruk. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft appellante een rapport ingebracht van haar medisch adviseur van 1 oktober 2010.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak dient onder “zijn arbeid” in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. In het geval van appellante is dit de functie van medewerkster callcenter voor 32 uur per week. </para>
      <para>4.2. De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat het medische onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestreden besluit voldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Op grond van de door appellante verstrekte informatie, de eigen onderzoeksbevindingen en de reeds aanwezige medische gegevens, waaronder informatie van de behandelende reumatoloog en psycholoog, heeft de bezwaarverzekeringsarts kunnen concluderen dat er geen relevante nieuwe medische feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen, zodat de bevindingen van de primaire verzekeringsarts onderschreven kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.3. Ten aanzien van het standpunt van appellante dat zij met name vanwege ernstige concentratieproblemen zowel geestelijk als lichamelijk niet in staat is haar werkzaamheden te verrichten, geldt dat zij daarin niet kan worden gevolgd. Met de brief van 1 juni 2010 heeft appellante aangegeven zich te kunnen vinden in het functieprofiel van haar functie. Daarbij heeft zij wel aangetekend dat sprake is van een relatief grote tijdsdruk nu alle telefoongesprekken binnen drie minuten moeten worden afgerond. Afgaande op het functieprofiel moet worden vastgesteld dat niet blijkt van een extra belasting op het onderdeel concentratie. Bovendien is in het profiel aangegeven dat het mogelijk is om zo nu en dan even te staan of te lopen. Uit de voorhanden medische gegevens blijkt niet dat dit onvoldoende zou zijn. Inzake de kwantiteit staat vermeld dat gemiddeld tien gesprekken per uur en tachtig gesprekken per dag worden gevoerd, waarbij de gesprekken gemiddeld ruim drie minuten duren. Voor het standpunt van appellante dat de gesprekken onder alle omstandigheden binnen drie minuten moeten worden afgerond, worden in het functieprofiel geen aanknopingspunten gevonden. </para>
    <para />
    <para>4.4. Naar aanleiding van het door appellante in hoger beroep ingebrachte rapport van haar medisch adviseur van 1 oktober 2010 wordt verwezen naar de daarop gegeven reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 8 november 2010. Deze arts heeft terecht geconstateerd dat de medisch adviseur geen nieuwe inhoudelijke medische argumenten naar voren brengt, maar in feite slechts aangeeft dat hij een en ander anders zou beoordelen dan de bezwaarverzekeringsarts heeft gedaan. </para>
    <para />
    <para>5. Hetgeen in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen, leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en H. Bolt en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van D. Heeremans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2012.</para>
    <para>					</para>
    <para>(getekend) J. Riphagen</para>
    <para>					</para>
    <para>(getekend) D. Heeremans</para>
    <para />
    <para>KR</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>