<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY2711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T21:23:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY2711</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-11-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-4895 WWB -VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=15.1&amp;g=2012-11-06">Wet werk en bijstand 15.1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=16.1&amp;g=2012-11-06">Wet werk en bijstand 16.1</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0015703&amp;artikel=35.1&amp;g=2012-11-06">Wet werk en bijstand 35.1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JWWB 2012/209</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2013/26 met annotatie van H. van Deutekom</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2012/356</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY2711">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY2711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:06:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY2711 Centrale Raad van Beroep , 06-11-2012 / 12-4895 WWB -VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY2711:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door verzoeker gestelde belang bij het treffen van een voorlopige voorziening voldoende spoedeisend is in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal eerst bezien of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal kunnen blijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan een beroep op deze bepaling in het Besluit niet bij voorbaat als volkomen kansloos worden beschouwd, zodat het op de weg van verzoeker ligt om een dergelijke aanvraag bij AGIS in te dienen. De vraag of in de omstandigheden van verzoeker sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB is pas aan de orde als vast staat dat de tandheelkundige behandelingen, waarvoor verzoeker bijzondere bijstand heeft aangevraagd, niet op basis van de Zvw worden vergoed.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY2711:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12/4895 WWB-VV </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 6 november 2012</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Namens verzoeker heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2012, 12/636 en 12/3183 (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2012. Namens verzoeker is </para>
      <para>mr. Vlieger verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door </para>
      <para>mr. M.H.M. Diderich. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
      <para>1.1. Verzoeker is sinds 1995 bekend met een HIV 1 infectie en de diagnose aids is vastgesteld. Hij lijdt tevens aan bruxisme (tandenknarsen) en parodontitis (tandvleesontsteking). Op 15 september 2011 heeft verzoeker een aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend voor de kosten van de behandeling van bruxisme door zijn tandarts, waarvan de kosten zijn begroot op € 619,94 en van een initiële parodontale behandeling door de Kliniek voor Parodontologie Amsterdam, waarvan de kosten zijn begroot op € 712,80. Daarbij heeft verzoeker vermeld dat de maximumvergoeding voor tandartskosten op basis van zijn aanvullende ziektekostenverzekering bij AGIS Zorgverzekeringen reeds was verstrekt. </para>
      <para>1.2. Bij besluit van 14 november 2011 heeft het college op deze aanvraag afwijzend beslist op de grond dat deze kosten in de voorliggende voorziening, de Zorgverzekeringswet (Zvw) en  de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, niet als noodzakelijk gelden en het om die reden geen noodzakelijke bestaanskosten zijn. Bij besluit van 23 december 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de Zvw en het daarop gebaseerde Besluit zorgverzekering (Besluit) zijn aan te merken als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen en dat het recht op bijstand zich evenmin uitstrekt tot kosten die in de voorliggende voorziening niet als noodzakelijk worden aangemerkt. Om die reden staat artikel 15, eerste lid, van de WWB aan bijstandsverlening in de weg. Voorts heeft het college zich op het standpunt gesteld dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB toch bijstand te verlenen. </para>
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
      <para>3. Verzoeker heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij bestrijdt het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank dat de medische stukken er weliswaar op wijzen dat zo snel mogelijk de tandheelkundige behandelingen moeten worden gestart, maar niet dat niets doen kan leiden tot blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit. Uit de brief van de internist-infectioloog A. van Eeden (Van Eeden) van </para>
      <para>18 april 2012 blijkt dat het uitblijven van deze behandelingen negatieve gevolgen heeft in de vorm van eet- en kauwproblemen, het ontstaan van infecties, ernstige cachexie (extreme vermagering) en psychisch leed en dat zodoende nog steeds sprake is van een acute noodsituatie. Naar de mening van verzoeker had het college een medisch onderzoek moeten laten verrichten, omdat de vraag of sprake is van een acute noodsituatie door een arts beantwoord dient te worden. Het verzoek om een voorlopige voorziening, zoals toegelicht ter zitting, strekt ertoe dat het gevraagde bedrag aan bijzondere bijstand voor deze kosten bij wijze van voorschot wordt verleend.</para>
      <para>4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.</para>
      <para>4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2. Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden bezien of op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. Daarbij komt ook in beeld de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in die procedure. </para>
    <para />
    <para>4.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het door verzoeker gestelde belang bij het treffen van een voorlopige voorziening voldoende spoedeisend is in de zin van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal eerst bezien of een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal kunnen blijven.</para>
    <para />
    <para>4.4. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, van de WWB niet van toepassing zijn. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt. </para>
      <para>4.6. Het eerste lid van artikel 16 van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, de gevraagde bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen noodzaken. Daarvoor dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodsituatie is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben.</para>
      <para>4.7. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 17 november 2009, LJN BK4230) dient voor de kosten van een tandheelkundige behandeling de Zvw, mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit, in beginsel als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd. In gevallen waarin deze zorg, als zijnde niet noodzakelijk, niet tot de prestaties behoort die op grond van het bij of krachtens de Zvw bepaalde voor vergoeding in aanmerking komt, staat het bepaalde in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening in de weg.</para>
      <para>4.8. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat de kosten van de door verzoeker gevraagde tandheelkundige behandelingen kosten zijn die in de voorliggende voorziening niet als noodzakelijk worden aangemerkt, zodat artikel 15, eerste lid, van de WWB aan bijstandverlening voor deze kosten in de weg staat. Verzoeker heeft in bezwaar aangevoerd dat mede door zijn slechte lichamelijk situatie in het algemeen en zijn verminderde afweer in het bijzonder sprake is van een acute noodsituatie, omdat door het uitblijven van de betreffende tandheelkundige behandelingen blijvend letsel kan ontstaan. Daarbij heeft verzoeker beroep gedaan op een brief van Van Eeden van 16 november 2011, waarin is vermeld dat de huidige tandheelkundige/parodontologische klachten van verzoeker zeker zijn te relateren aan zijn medische voorgeschiedenis en dat de behandeling noodzakelijk is om potentiële infectiebronnen te bestrijden en verdere achtergang te voorkomen. Voorts heeft verzoeker gewezen op een recent uitgebrachte advies door de GGD om de bijzondere bijstand van verzoeker voor dieetkosten met € 60,- per maand te verhogen. Verzoeker heeft daarbij aangevoerd dat het college ten onrechte geen medisch advies heeft ingewonnen om de gevolgen van het uitblijven van de tandheelkundige behandelingen vast te stellen. </para>
      <para>4.9. De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van verzoeker dat het, gelet op de aard en de ernst van zijn gezondheidsproblemen, op de weg van het college had gelegen om medisch advies in te winnen alvorens het bestreden besluit te nemen. De medisch adviseur had na overleg met Van Eeden zich een oordeel kunnen vormen of het uitblijven van de tandheelkundige behandelingen tot de gevolgen leidt, zoals door Van Eeden in zijn, hiervoor in overweging 3 weergegeven, brief heeft gemeld en of dat ernstig lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. De medische adviseur had tevens in ogenschouw kunnen nemen het standpunt van de GGD-arts, zoals weergegeven in de brief van 7 oktober 2011, dat in verband met de aandoening van verzoeker sprake is van een beperking van de voedselinname en een verhoogde behoefte aan verrijkte voeding om een goede conditie te bevorderen. Mogelijk kunnen de door Van Eeden verwachte kauw- en eetproblemen en infecties, die ongetwijfeld afbreuk zullen doen aan de noodzakelijk geachte bevordering van de conditie van verzoeker, ernstige lichamelijke gevolgen hebben. Dit betekent dat het college bij het nemen van het bestreden besluit niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft dit niet onderkend. Derhalve bestaat een redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal kunnen blijven.</para>
      <para>4.10. Desalniettemin ziet de voorzieningenrechter bij afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen thans onvoldoende aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen. Het college heeft ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank op 12 juli 2012 aangevoerd dat verzoeker met een beroep op artikel 2.7 van het Besluit AGIS had kunnen verzoeken de kosten voor de beoogde tandheelkundige behandelingen te vergoeden. Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit omvat mondzorg de zorg zoals tandartsen die plegen te bieden, met dien verstande dat het slechts betreft tandheelkundige zorg die noodzakelijk is indien de verzekerde een niet-tandheelkundige lichamelijke of geestelijke aandoening heeft en hij zonder die zorg geen tandheelkundige functie kan behouden of verwerven gelijkwaardig aan die welke hij zou hebben gehad als de aandoening zich niet had voorgegaan. De gemachtigde van verzoeker heeft, desgevraagd, verklaard dat een dergelijke aanvraag nog steeds niet bij AGIS is ingediend omdat geen enkele tandarts of specialist verzoeker daarop heeft gewezen. Aangezien de beoogde tandheelkundige behandelingen nog niet hebben plaatsgevonden, bestaat geen beletsel om een dergelijke aanvraag alsnog in te dienen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan een beroep op deze bepaling in het Besluit niet bij voorbaat als volkomen kansloos worden beschouwd, zodat het op de weg van verzoeker ligt om een dergelijke aanvraag bij AGIS in te dienen. De vraag of in de omstandigheden van verzoeker sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB is pas aan de orde als vast staat dat de tandheelkundige behandelingen, waarvoor verzoeker bijzondere bijstand heeft aangevraagd, niet op basis van de Zvw worden vergoed.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.11. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.</para>
      <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2012.</para>
    <para />
    <para>(getekend) J.F. Bandringa</para>
    <para />
    <para>(getekend) P.J.M. Crombach</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>