<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY1854</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T07:11:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY1854</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-10-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-2894 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY1854">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY1854</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:03:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY1854 Centrale Raad van Beroep , 30-10-2012 / 11-2894 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY1854:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking bijstand. Werkzaamheden als zelfstandige in eigen pizzeria verricht. Geen deugdelijke boekhouding. Schending inlichtingenverplichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY1854:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/2894 WWB </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2011, 11/141 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.]</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak 30 oktober 2012.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Namens appellant heeft mr. R. Potharst, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2012. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak met registratienummer 11/549 BBZ. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. van Golberdingen. In de gevoegde zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.1. Appellant ontving met zijn echtgenote sinds 18 juni 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden. Op 28 december 2009 heeft appellant een huurovereenkomst ondertekend voor de huur van een bedrijfsruimte en met ingang van 1 januari 2010 heeft hij zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak], een afhaalrestaurant en bezorgdienst van etenswaren, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor Amsterdam (KvK). Appellant heeft het college geïnformeerd dat hij met ingang van januari 2010 werkzaamheden als zelfstandige in deze pizzeria is gaan verrichten. Op 25 januari 2010 heeft appellant een aanvraag ingediend op grond van de WWB en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) om bijstand in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal voor een pizzeria. Bij besluit van 22 april 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Het hiertegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 26 augustus 2010 ongegrond verklaard. Sinds januari 2010 heeft appellant geen bijstand meer ontvangen. Over de maanden januari en februari 2010 heeft hij van het college een stagevergoeding ter hoogte van € 909,33 per maand ontvangen in verband met een op 19 december 2009 aangevangen stage. Bij besluit van 9 maart 2010 is deze stageovereenkomst met ingang van 28 februari 2010 beëindigd, omdat appellant is gestart met een zelfstandige onderneming. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.2. Op 9 augustus 2010 heeft appellant bijstand op grond van de WWB aangevraagd in verband met de beëindiging van zijn pizzeria. Op 15 juli 2010 is het bedrijf van appellant uitgeschreven uit het handelsregister van de KvK en op dezelfde datum ontbonden. Sedertdien heeft appellant niet langer werkzaamheden als zelfstandige verricht. Bij besluit van </para>
      <para>23 september 2010 is aan appellant en zijn echtgenote met ingang van 9 augustus 2010 weer bijstand op grond van de WWB toegekend naar de norm voor gehuwden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 20 september 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 december 2010 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken nadat was gebleken dat de feitelijke beëindiging van de bijstand vanaf laatstgenoemde datum nog niet bij besluit was geformaliseerd. Aan het bestreden besluit, zoals dit ter zitting nog is toegelicht, ligt ten grondslag dat appellant vanaf januari 2010 werkzaamheden heeft verricht voor zijn eigen pizzeria. Het college gaat ervan uit dat hij de verkregen leningen en de inkomsten heeft aangewend voor de kosten van het bestaan. Omdat appellant geen deugdelijke boekhouding heeft bijgehouden van de inkomsten en uitgaven die hij met deze werkzaamheden heeft verdiend, kan hij niet op een verifieerbare wijze aannemelijk maken waarvan hij heeft geleefd. Dit levert een schending van de inlichtingenverplichting op. De bijstand is terecht ingetrokken en voor bijstandverlening achteraf is geen reden. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de in geding zijnde periode inkomsten als zelfstandige heeft genoten. De hiervoor benodigde controleerbare gegevens over de omzet en de kosten van het bedrijf ontbreken. De verklaring van appellant dat zijn bedrijf een periode open is geweest, dat hij een bepaalde omzet heeft behaald en dat hij bedragen heeft geleend om in de door hem gemaakte kosten te voorzien is volgens appellant onvoldoende voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inkomsten uit zelfstandig verrichte arbeid. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Indien de betrokkene niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering, intrekking of beëindiging van de bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate de betrokkene recht op bijstand heeft. Het is dan aan betrokkene aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Op grond van de onder 3 genoemde verklaring acht ook de Raad aannemelijk dat appellant sinds januari 2010 werkzaamheden als zelfstandige in dan wel ten behoeve van zijn pizzeria heeft verricht en hieruit inkomsten heeft genoten. Appellant heeft erkend dat hij niet over controleerbare gegevens beschikt met betrekking tot zijn inkomsten en uitgaven vanaf </para>
      <para>1 januari 2010. Door het verstrekken van onvoldoende gegevens heeft appellant niet voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of appellant ten tijde hier van belang in omstandigheden verkeerde als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB. Gelet op hetgeen onder 4.1 is overwogen rust dan op appellant de last om aannemelijk te maken dat hij met zijn werkzaamheden en inkomsten niet in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien en dus aanvullend recht op bijstand heeft. Daarin is hij niet geslaagd. Het college was dan ook op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB bevoegd over te gaan tot intrekking van de bijstand. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en O.L.H.W.I. Korte en Y.L. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2012.</para>
    <para />
    <para>(getekend) A.B.J. van der Ham</para>
    <para />
    <para>(getekend) R. Scheffer</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>