<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY1531</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-05T16:10:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY1531</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-10-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10/4097 WIA</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0019152&amp;artikel=2&amp;g=2012-10-24">Reïntegratiebesluit 2</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0019152&amp;artikel=2&amp;g=2012-10-24">Reïntegratiebesluit 2</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>USZ 2012/347</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY1531">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY1531</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:02:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY1531 Centrale Raad van Beroep , 24-10-2012 / 10/4097 WIA</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY1531:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag vergoeding van de kosten van de aanschaf van solo-apparatuur, bestaande uit een Audio Comfort Digisystem met ontvanger, zender, mixer en reversmicrofoon DC10/DH10 en DM 20. De rechtbank heeft overwogen dat appellant in geval van betrokkene bevoegd was tot verstrekking van de gevraagde voorziening en de vergoeding van de meerkosten van de solo-apparatuur niet mocht afwijzen. Niet in geschil is dat betrokkene ten tijde van de aanvraag solo-apparatuur in de werksituatie nodig had en voorts dat de door haar aangevraagde solo-apparatuur op dat moment als goedkoopste en voor haar als meest adequate voorziening kon worden aangemerkt. Betrokkene heeft gemotiveerd  aangegeven dat de solo-apparatuur, ten tijde van de aanvraag, in haar specifieke situatie noodzakelijk was en niet in geschil is dat de aangevraagde voorziening voor haar destijds als goedkoopste adequate voorziening gold, heeft appellant ten onrechte geweigerd om de meerkosten van de aanschaf van de solo-apparatuur te vergoeden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY1531:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>10/4097 WIA </para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juni 2010, 09/3785 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (betrokkene)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 24 oktober 2012 </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2012. Namens appellant is verschenen mr. M.J.F. Bär. Betrokkene is in persoon verschenen.</para>
    <para />
    <para>Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee is besloten tot heropening van het onderzoek.</para>
    <para />
    <para>De Raad heeft vragen aan appellant gesteld.</para>
    <para />
    <para>Betrokkene heeft een aanvulling op haar verweerschrift verstrekt. Appellant heeft de door de Raad gestelde vragen beantwoord.</para>
    <para />
    <para>Door betrokkene is hierop gereageerd en zijn nadere stukken in het geding gebracht. Desgevraagd heeft appellant hierop gereageerd.</para>
    <para />
    <para>Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1.1. Betrokkene heeft een gehoorbeschadiging. Zij heeft op 28 oktober 2008 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) bij appellant een aanvraag ingediend voor vergoeding van de kosten van de aanschaf van solo-apparatuur, bestaande uit een Audio Comfort Digisystem met ontvanger, zender, mixer en reversmicrofoon DC10/DH10 en DM 20. Betrokkene was op dat moment werkzaam als beleidsmedewerkster bij de gemeente Alkemade. De kosten van deze solo-apparatuur bedroegen € 3.953,-. De zorgverzekeraar van betrokkene heeft haar voor deze apparatuur een vergoeding van € 1400,- aangeboden. Betrokkene heeft appellant verzocht aan haar het restant van € 2.553,- te vergoeden. Daarbij heeft zij een brief overgelegd van de kno-arts dr. J.A.P.M. de Laat van 23 oktober 2008, waarin deze verklaart dat betrokkene met de gevraagde apparatuur hoogstwaarschijnlijk veel beter kan functioneren in haar werksituatie dan zonder die apparatuur.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 12 december 2008 heeft appellant de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 23 april 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 12 december 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat de gevraagde solo-apparatuur door de zorgverzekeraar van betrokkene moet worden verstrekt en dat hem ter zake geen bevoegdheid toekomt.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat betrokkene een aanvullende vergoeding van € 2553,- toekomt en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Hiertoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar rechtspraak van de Raad van 28 maart 2007 (LJN BA5176) en 1 april 2009 (LJN BI1281), overwogen dat appellant in geval van betrokkene bevoegd was tot verstrekking van de gevraagde voorziening en de vergoeding van de meerkosten van de solo-apparatuur niet mocht afwijzen. In dit kader kan, naar het oordeel van de rechtbank, eveneens het beroep van betrokkene op het gelijkheidsbeginsel worden gezien. In de door betrokkene naar voren gebrachte gevallen ging het volgens de rechtbank niet om onjuiste besluitvorming maar om bewuste toekenningen door appellant. Het bestreden besluit is door de rechtbank wegens strijd met artikel 2 van het Reïntegratiebesluit vernietigd. </para>
    <para />
    <para>3.1. Appellant heeft in hoger beroep alsnog het standpunt ingenomen dat hij op grond van artikel 35, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder c van de Wet WIA (Meeneembare voorzieningen), in combinatie met artikel 2, tweede lid van het Reïntegratiebesluit, bevoegd is om vergoeding voor solo-apparatuur toe te kennen. Als grondslag voor het afwijzend beslissen op betrokkenes aanvraag van 28 oktober 2008 baseert appellant zich nu op het feit dat met het oog op artikel 2, derde lid van het Reïntegratiebesluit vergoeding door appellant voor de aanschaf van solo-apparatuur niet aan de orde komt, nu de vergoeding door de zorgverzekeraar IZA van € 1400,- al is gebaseerd op een onderzoek naar (de kosten van) een adequate voorziening. Tegen die achtergrond acht appellant het verrichten van een nader onderzoek naar de goedkoopste adequate voorziening danwel het verstrekken van een (aanvullende) vergoeding als zijnde redelijke meerkosten, niet aan de orde. Gegeven de omstandigheden had betrokkene volgens appellant bezwaar dienen te maken bij IZA tegen de in haar ogen te lage zorgverzekeringsvergoeding, door aan te geven dat zij daarmee onder de gegeven omstandigheden geen voldoende adequate solo-apparatuur kon aanschaffen. </para>
    <para />
    <para>3.2. Betrokkene heeft in verweer - samengevat - gesteld dat de rechtspraak van de Raad ten aanzien van meerkosten van de hoorapparaten, zoals onder meer verwoord in de uitspraak van 1 april 2009, LJN BI1281, niet los gezien kan worden van de meerkosten voor luisterhulpmiddelen/ vergaderapparatuur en solo-apparatuur. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Wettelijk kader </para>
    <para />
    <para>In artikel 35, eerste lid, van de Wet WIA is bepaald dat het Uwv aan de persoon met een naar het oordeel van het Uwv structurele functionele beperking, die arbeid in dienstbetrekking verricht of die arbeid in dienstbetrekking gaat verrichten - voor zover van belang - op aanvraag voorzieningen kan toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.</para>
    <para />
    <para>Op grond van artikel 2, eerste lid, van het op artikel 35, vierde lid (oud), van de Wet WIA gebaseerde Reïntegratiebesluit (Stb. 2005, 622), wordt een voorziening als bedoeld in artikel 35 van de Wet WIA niet verstrekt respectievelijk verleend indien het kosten van een voorziening of een voorziening betreft: a. die algemeen gebruikelijk is; of b. waarvoor vergoeding op grond van een andere wettelijke regeling mogelijk is. Uit artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit volgt dat bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening. </para>
    <para />
    <para>4.2. In zijn meergenoemde uitspraak van 28 maart 2007 heeft de Raad geoordeeld dat appellant op grond van artikel 2, tweede lid, van het Reïntegratiebesluit bevoegd is voorzieningen toe te kennen in de vorm van het vergoeden van hoortoestellen waarvan de specificaties zijn ingegeven door de werksituatie. De Raad ziet geen wettelijke belemmeringen voor een ruime uitleg van dit artikel, zodat de rechtspraak van de Raad neergelegd in eerder genoemde uitspraken op de onderhavige aanvraag om solo-apparatuur van toepassing kan worden geacht óók indien deze voorziening tevens in de privésituatie wordt gebruikt. Dit met dien verstande dat de redelijke meerkosten van de voor de werksituatie adequate solo-apparatuur voor vergoeding in aanmerking komen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.3. Vastgesteld wordt dat, gelet op de rapportages van de (bezwaar) arbeidsdeskundige van </para>
      <para>6 november 2008 en 17 februari 2012 en de reactie van appellant op de vraagstelling van de Raad van 31 januari 2012, tussen partijen niet in geschil is dat betrokkene ten tijde van de aanvraag solo-apparatuur in de werksituatie nodig had en voorts dat de door haar aangevraagde solo-apparatuur op dat moment als goedkoopste en voor haar als meest adequate voorziening kon worden aangemerkt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.4. Onder verwijzing naar eerder vermelde rechtspraak van 28 maart 2007 wordt het maximeren van een vergoeding voor een werkvoorziening als solo-apparatuur in beginsel niet onredelijk geacht, maar brengt het bepaalde in artikel 2, derde lid, van het Reïntegratiebesluit met zich dat aan de hand van de bijzondere omstandigheden van het concrete geval zal moeten worden beoordeeld of met de maximale vergoeding een niet alleen goedkoopste, maar ook adequate voorziening kan worden verleend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. Nu betrokkene gemotiveerd heeft aangegeven dat de solo-apparatuur, ten tijde van de aanvraag, in haar specifieke situatie noodzakelijk was en niet in geschil is dat de aangevraagde voorziening voor haar destijds als goedkoopste adequate voorziening gold, heeft appellant ten onrechte geweigerd om de meerkosten van de aanschaf van de </para>
      <para>solo-apparatuur te vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.6. Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen slaagt het hoger beroep van appellant niet,  zodat de aangevallen uitspraak  voor bevestiging in aanmerking komt. </para>
    <para />
    <para>5. Proceskosten</para>
    <para />
    <para>5.1. Ter uitvoering van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld. In een bijlage bij dit besluit is een limitatieve opsomming gegeven van proceshandelingen waarvoor een forfaitaire vergoeding kan worden toegewezen. In vergoeding van porto-kosten en de kosten van het in bruikleen hebben van een voorziening als de Phonak Icom en Phonak EasyLink is daarbij niet voorzien. Dit betekent dat deze door betrokkene gevorderde kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.</para>
    <para />
    <para>5.2. Er is aanleiding appellant te veroordelen in de reiskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 28,-. </para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>- bepaalt dat van appellant een griffierecht wordt geheven van € 448,-</para>
      <para>- veroordeel appellant in de proceskosten van betrokkene in beroep en in hoger beroep tot een</para>
      <para>  bedrag van € 28,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en B.M. van Dun en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2012.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) C.P.J. Goorden</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) R.L. Rijnen</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>