<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY1397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-05-01T06:21:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY1397</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-10-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-2588 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY1397">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY1397</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:01:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-10-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY1397 Centrale Raad van Beroep , 26-10-2012 / 11-2588 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY1397:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking WAO-uitkering. Medisch onderzoek is zorgvuldig. Er bestaan geen gegronde redenen waarom de bezwaarverzekeringsarts niet de conclusies had mogen volgen waartoe psychiater Leta is gekomen in zijn expertiserapport. Niet is kunnen blijken van enige concrete aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid en/of de onbevooroordeeldheid van psychiater Leta. De omstandigheid dat Leta op verzoek van het Uwv over appellante heeft gerapporteerd, noch de enkele stelling dat Leta in vergelijkbare andere gevallen tot soortgelijke conclusies is gekomen als in het onderhavige geval, volstaat voor een dergelijke vergaande conclusie. Appellante is eerst medio 2010, derhalve geruime tijd na de datum in geding bij Overbeek en El Katib onder behandeling gekomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn reactie op de verklaringen van genoemde behandelaars van 14 oktober 2010 aangegeven dat appellante mogelijk inmiddels een depressie doormaakt, maar dat voor haar situatie op de datum in geding kan worden afgegaan op het rapport van Leta.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY1397:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/2588 WAO</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 21 februari 2010, 09/3348 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (appellante)</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 26 oktober 2012</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Namens appellante heeft mr. E.H. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Bij schrijven van 9 januari 2012 heeft mr. A. Boumanjal, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld. </para>
    <para />
    <para>Namens appellante zijn nadere stukken in het geding gebracht. </para>
    <para />
    <para>Desgevraagd heeft ook het Uwv nadere stukken ingezonden. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2012. Voor appellante is verschenen mr. Boumanjal. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.J. van Steenwijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1.1. Appellante heeft laatstelijk gewerkt als medewerkster algemene dienst/spoelkeuken. In augustus 1994 heeft zij zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet ziek gemeld wegens psychische klachten en lichamelijke klachten, in verband waarmee zij na het einde van de wettelijke wachttijd in aanmerking is gebracht voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 28 april 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 juni 2009 ingetrokken, op de grond dat haar arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 21 oktober 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 28 april 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2.1. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante door zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts medisch is onderzocht, en dat de bezwaarverzekeringsarts een expertise heeft laten verrichten door psychiater R.L. Leta, die op 28 september 2009 verslag heeft uitgebracht van zijn onderzoeksbevindingen. Leta heeft geconcludeerd dat ten aanzien van appellante de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis van toepassing is. De rechtbank heeft overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts alle relevante medische gegevens, waaronder de voorliggende verzekeringsgeneeskundige rapportages en het rapport van Leta, bij zijn beoordeling heeft betrokken en het primaire medische oordeel voldoende zorgvuldig heeft heroverwogen. </para>
    <para />
    <para>2.2. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv het rapport van Leta niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat Leta kennis heeft genomen van onder meer informatie van de behandelaars van appellante en in zijn rapport kenbaar heeft gemaakt deze informatie bij zijn psychiatrische diagnose te hebben betrokken. Het enkele feit dat de beleving van appellante hiermee niet strookt, maakt dit volgens de rechtbank niet anders. </para>
    <para />
    <para>2.3. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door de bezwaarverzekeringsarts in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 9 oktober 2009 neergelegde beperkingen overeenkomen met de door Leta aangenomen beperkingen. De rechtbank heeft overwogen dat appellante geen concrete medische gegevens heeft ingebracht die twijfel oproepen aan het door de bezwaarverzekeringsarts ingenomen standpunt met betrekking tot haar psychische belastbaarheid op 30 juni 2009, waarbij in aanmerking is genomen dat de door de behandelend psychiater F. Overbeek en de behandelend psycholoog S. el Katib gestelde diagnose niet ziet op de datum in geding. In het bijzonder heeft de rechtbank zich kunnen verenigen met de zienswijze van de bezwaarverzekeringsarts dat voor de door appellante gewenste urenbeperking geen aanleiding bestaat. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank op inzichtelijke wijze uiteengezet dat de gezondheidstoestand van appellante een urenbeperking niet noodzakelijk maakt. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen in het standpunt dat evenmin een energetische beperking aan de orde is. De door Leta genoemde gewenning ten aanzien van werktempo en arbeidsuren is niet gebaseerd op een psychiatrische stoornis, maar op een gewenningsproces. </para>
    <para />
    <para>2.4. Gelet op alle reeds beschikbare (medische) informatie, waaronder het expertiserapport van Leta, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten aanwezig geacht om gevolg te geven aan het verzoek van appellante tot het benoemen van een deskundige, </para>
    <para />
    <para>2.5. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de medische grondslag van het bestreden besluit als deugdelijk valt aan te merken. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank zich ook kunnen verenigen met de aan de schatting als voor appellante passende arbeidsmogelijkheden ten grondslag gelegde functies. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de bezwaararbeidsdeskundige toereikend heeft gemotiveerd waarom die functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.  </para>
    <para />
    <para>3.1. Appellante heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het rapport van Leta voldoende grondslag biedt voor de aanname dat bij appellante sprake is van een somatoforme stoornis. De door appellante in beroep in het geding gebrachte rapporten van Overbeek en El Katib wijzen volgens appellante op het bestaan van een depressieve stoornis. Deze rapporten leveren volgens appellante althans voldoende twijfel op aan de juistheid van de medische grondslag van het bestreden besluit, om over te gaan tot het raadplegen van een onafhankelijk deskundige. </para>
    <para />
    <para>3.2. De rechtbank is aan dit alles volgens appellante ten onrechte voorbijgegaan. Ter zitting zijn door de gemachtigde van appellante in dit verband bedenkingen geuit tegen psychiater Leta, waarbij erop is gewezen dat Leta heeft gerapporteerd op verzoek - en op kosten - van het Uwv en dat deze psychiater, naar de gemachtigde bekend is, in enkele soortgelijke andere zaken tot eenzelfde oordeel is gekomen als in het onderhavige geval. Dit geeft volgens de gemachtigde van appellante te denken. Appellante acht zich, gelet op de door haar ervaren psychische beperkingen, niet in staat tot het vervullen van de geduide functies. </para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>4.2. De rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv als zorgvuldig moet worden aangemerkt en dat, in het bijzonder, geen gegronde redenen bestaan waarom de bezwaarverzekeringsarts niet de conclusies had mogen volgen waartoe psychiater Leta is gekomen in zijn expertiserapport. Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting voegt de Raad aan hetgeen de rechtbank in dit verband in de aangevallen uitspraak heeft overwogen, nog toe dat niet is kunnen blijken van enige concrete aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid en/of de onbevooroordeeldheid van psychiater Leta. De omstandigheid dat Leta op verzoek van het Uwv over appellante heeft gerapporteerd, noch de enkele stelling dat Leta in vergelijkbare andere gevallen tot soortgelijke conclusies is gekomen als in het onderhavige geval, volstaat voor een dergelijke vergaande conclusie. </para>
    <para />
    <para>4.3. Evenzeer terecht heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit juist geacht. Appellante heeft zich in hoger beroep ter onderbouwing van haar eigen andersluidende opvatting wederom beroepen op de verklaringen van haar behandelaars Overbeek en El Katib. Zij wijst erop dat deze behandelaars tot de diagnose depressie zijn gekomen, welke diagnose, zo begrijpt de Raad de stelling van appellante, meer beperkingen met zich brengt dan de diagnose ongedifferentieerde somatoforme stoornis waartoe Leta is gekomen. </para>
    <para> </para>
    <para>4.4. De Raad overweegt in dit verband dat een diagnose op zich genomen niet doorslaggevend kan worden geacht voor aard en ernst van de van toepassing te achten beperkingen. Overigens heeft El Katib de depressie van appellante als matig ernstig gekwalificeerd en, gelijk Leta, bij appellante ook een ongedifferentieerde somatoforme stoornis aanwezig geacht. </para>
    <para />
    <para>4.5. Van meer belang evenwel acht de Raad dat appellante eerst medio 2010, derhalve geruime tijd na de datum in geding bij Overbeek en El Katib onder behandeling is gekomen, in verband waarmee hun verklaringen niet kunnen worden geacht ook te zien op de datum in geding. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn reactie op de verklaringen van genoemde behandelaars van 14 oktober 2010 aangegeven dat appellante mogelijk inmiddels een depressie doormaakt, maar dat voor haar situatie op de datum in geding kan worden afgegaan op het rapport van Leta. </para>
    <para />
    <para>4.6. De Raad acht deze reactie van de bezwaarverzekeringsarts juist, waartoe hij erop wijst dat Leta appellante eind september 2009, derhalve relatief kort na de datum in geding, heeft onderzocht. Van belang is voorts dat appellante, blijkens in hoger beroep in het geding gebrachte stukken, inmiddels bij het Uwv melding heeft gemaakt van een verslechtering van haar gezondheidssituatie, hetgeen heeft geleid tot toekenning aan appellante van een naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende WAO-uitkering met ingang 29 augustus 2011. Uit het aan het betreffende besluit ten grondslag liggende verzekeringsgeneeskundige rapport van 11 mei 2012, komt naar voren dat bij appellante door de verzekeringsarts een verslechtering van haar gezondheidssituatie en, daarmee samenhangend, een toename van haar beperkingen is vastgesteld. Deze toegenomen beperkingen betreffen onder meer haar zelfstandig functioneren, waarbij somberheidsgevoelens en inactiviteit een rol spelen. De beschikbare medische gegevens bevatten geen aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat deze beperkingen, naar aard en ernst als aangegeven in het verzekeringsgeneeskundige rapport van 11 mei 2012, ook reeds aan de orde waren op de in het onderhavige geding ter beoordeling voorliggende datum 30 juni 2009. In dit verband kan met name nog worden gewezen op het schrijven van de aan het Gezondheidscentrum Lombok verbonden huisarts van appellante van 6 maart 2009, waarin deze mededeelt dat appellante sinds 2005 in het gezondheidscentrum is ingeschreven, inmiddels al lange tijd niet meer wordt behandeld door Altrecht, het medicijn Zoloft niet meer slikt en nooit depressieve klachten heeft geuit. Wat betreft de vermoeidheidsklachten van appellante overwoog de huisarts haar een programma bij de fysiotherapie aan te bieden, om conditie op te bouwen. Deze informatie doet niet aannemelijk zijn dat bij appellante sprake was van een wezenlijke psychische problematiek, in de vorm van een depressie of anderszins, op de datum in geding. </para>
    <para />
    <para>4.7. In het licht van het overwogene onder 4.2 tot en met 4.6. bestaat geen aanleiding om het verzoek van de gemachtigde van appellante te honoreren hem nog in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen aan Overbeek en El Katib inzake de reikwijdte - in de tijd - van de conclusies waartoe zij in hun rapporten zijn gekomen. Eveneens ontbreekt een genoegzame aanleiding over te gaan tot het benoemen van een onafhankelijk psychiatrisch deskundige. </para>
    <para />
    <para>4.8. Ten slotte overweegt de Raad dat hij zich ook verenigt met het oordeel van de rechtbank inzake de passendheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies.</para>
    <para />
    <para>5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2012.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) J.W. Schuttel</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) J.R. Baas</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>