<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BY1297</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T03:19:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BY1297</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-10-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-1624 AW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001947&amp;g=2012-10-25">Ambtenarenwet</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>TAR 2013/41</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY1297">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BY1297</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T11:01:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-10-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BY1297 Centrale Raad van Beroep , 25-10-2012 / 12-1624 AW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY1297:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onvoldoende eindbeoordeling opleidingsperiode. De Raad ziet voor het oordeel dat de genoemde beoordeling op onvoldoende gronden zou berusten geen aanleiding. In de toelichtingen op de als onvoldoende beoordeelde resultaatgebieden is een aantal voorbeelden genoemd. De daarop betrekking hebbende opmerkingen komen overeen met hetgeen is gesteld in de aan appellante uitgereikte feedbackformulieren in de bewuste zaken. Die formulieren zijn ook in zoverre van belang dat daaruit naar voren komt dat het oordeel van de opleiders over het functioneren van appellante door meerdere andere rechters werd gedeeld. Niet valt in te zien dat, zoals door appellant is aangevoerd, deze feedbackformulieren, omdat het een opleidingsinstrument betreft, niet aan de beoordeling ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Evenmin deelt de Raad het standpunt van appellante dat geen plaats zou zijn voor negatieve oordelen op punten die in het voorafgaand aan haar opleiding door haar afgelegde assessment als positief zijn beoordeeld. Het assessment is slechts gericht op toelating tot de opleiding. De na die toelating toegepaste periodieke beoordeling van het functioneren van de rechter in opleiding en de daaruit voortvloeiende voortgezette selectie moeten geheel los daarvan worden bezien.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BY1297:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12/1624 AW</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.] (appellante)</para>
    <para />
    <para>Het bestuur van de rechtbank Rotterdam (verweerder)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 25 oktober 2012 </para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 3 januari 2012 (bestreden besluit), waarbij haar bezwaar tegen de door verweerder op 14 maart 2011 vastgestelde eindbeoordeling over de periode 20 september 2010 tot 20 december 2010 ongegrond is verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 september 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S. Schuurman, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A. Poppe-Gielesen en mr. P.C. Santema.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.1. Appellante is per 1 januari 2010, ten behoeve van haar opleiding tot rechter, bij verweerder aangesteld als gerechtsauditeur tevens rechter-plaatsvervanger. Voorzien is in een opleidingsperiode van 14 maanden, waarbinnen appellante van 1 januari 2010 tot en met 31 augustus 2010 wordt opgeleid in de sector bestuursrecht, en van 19 september 2010 tot en met 18 maart 2010 wordt opgeleid in de sector strafrecht. </para>
    <para />
    <para>1.2. Tot juni 2010 heeft appellante voornamelijk zaken op het gebied van het vreemdelingenrecht behandeld. Vanaf juni 2010 lagen de door appellante te behandelen zaken voornamelijk op het gebied van het ambtenarenrecht en het algemeen bestuursrecht. Op 20 juli 2010 is een tussentijdse beoordeling vastgesteld, inhoudende een voldoende beoordeling op alle resultaatgebieden. </para>
    <para />
    <para>1.3. Op 30 augustus 2010 is een eindbeoordeling over de opleidingsperiode binnen de sector bestuursrecht vastgesteld. In deze beoordeling zijn de resultaatgebieden “voorbereiding” en “uitspraken”, alsmede de functievervulling als geheel, als onvoldoende (score B) beoordeeld. Op het eerste punt is toegelicht dat de probleemanalyse en oordeelsvorming in een aantal ambtenarenzaken, in tegenstelling tot die in de eerder behandelde vreemdelingenzaken, niet juist zijn gebleken. De indruk bestaat, aldus voorts de toelichting, dat, met name in dossiers die enigszins “diffuus” zijn, appellante moeite heeft te bepalen welke gronden binnen de omvang van het geding vallen en welke niet. Dit punt, ook wel aan te duiden als het “boven de materie staan als rechter”, is, mogelijk door het type zaken dat appellante de laatste drie maanden heeft behandeld, pregnanter naar voren gekomen. Met betrekking tot de score op het resultaatgebied “uitspraken” is eveneens gesteld dat de probleemanalyse in meerdere zaken niet voldoende is gebleken. Zorgvuldige formulering en het vermijden van slordigheden blijven aandachtspunten. Omdat de genoemde aandachtspunten minder aan de orde zijn geweest bij de behandeling van vreemdelingenzaken en eenvoudiger bestuursrechtelijke zaken, is in de beoordeling geadviseerd tot een verlenging van de opleidingsperiode met drie maanden, binnen welke periode appellante in een aantal geselecteerde zaken blijk dient te geven van het feit dat zij tot een goede analyse kan komen. Appellante heeft tegen deze beoordeling geen rechtsmiddelen aangewend. </para>
    <para />
    <para>1.4. Appellante heeft om de geadviseerde verlenging verzocht. De verlengde opleiding heeft plaatsgevonden van 20 september 2010 tot 20 december 2010. Op 29 november 2010 is een tussentijds gesprek met appellante gevoerd. Na afloop van de genoemde periode is daarover een eindbeoordeling opgemaakt, die is vastgesteld op 14 maart 2011. In deze eindbeoordeling zijn de resultaatgebieden “voorbereiding” en uitspraken”, alsmede de functievervulling als geheel, opnieuw als onvoldoende (score B) beoordeeld. Op het eerste resultaatgebied is toegelicht dat de twijfels die bij de opleiders op dat punt bestonden, tijdens de verlengde beoordeling onvoldoende zijn weggenomen. Daarbij is onder meer een aantal voorbeelden van ontoereikend bevonden instructies genoemd. Op het resultaatgebied “uitspraken” is toegelicht dat het beeld dat naar voren is gekomen uit de eindbeoordeling uit augustus 2010 in de verlengingsperiode is bevestigd, en dat door appellante aangeleverde concept-uitspraken nog relatief veel aanpassing behoefden, waarbij eveneens voorbeelden zijn genoemd. Conclusie van de beoordeling is dat appellante er niet in is geslaagd de gerezen twijfels over haar functioneren weg te nemen, doch dat deze (eerder) zijn bevestigd. Hoewel de opleiders zeker ook de sterke kanten van appellante zien, hebben zij niet de overtuiging verkregen dat appellante beschikt over alle voor het rechterschap noodzakelijke competenties. De beoordeling heeft tot beëindiging van de opleiding van appellante geleid. </para>
    <para />
    <para>1.5. De eindbeoordeling van 14 maart 2011 is, na bezwaar van appellante, bij het bestreden besluit gehandhaafd.</para>
    <para />
    <para>2. Appellante kan zich niet vinden in de gehandhaafde eindbeoordeling. Zij heeft aangevoerd dat, in strijd met het artikel 7, derde lid, van het Opleidingsstatuut van de rechtbank Rotterdam, geen ontwikkelplan is toegevoegd aan de voorafgaand aan haar opleiding met haar gesloten opleidingsovereenkomst, als gevolg waarvan het heeft ontbroken aan een objectieve maatstaf waaruit zij heeft kunnen afleiden waaraan zij moest voldoen. Verder heeft zij onder meer aangevoerd dat slechts 6 van de 60 in de totale opleidingstijd door haar behandelde zaken beneden de maat is bevonden, hetgeen neerkomt op een percentage van 90% als voldoende beoordeelde zaken. </para>
    <para />
    <para>3. De Raad overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>3.1. Vooropgesteld wordt dat in dit geding voorligt de eindbeoordeling die is opgemaakt over de verlengde opleidingsperiode van 20 september 2010 tot 20 december 2010. De op 30 augustus 2010 over de reguliere opleidingsperiode vastgestelde eindbeoordeling staat in rechte vast. Alleen al om die reden kunnen de stellingen van appellante over het percentage zaken dat zij in de totale opleidingstijd met een voldoende resultaat heeft afgerond, wat er van die stellingen op zichzelf beschouwd ook zij, geen doel treffen. Met betrekking tot de in geding zijnde beoordeling zijn eerst en vooral de zaken relevant die appellante in de verlengingsperiode heeft afgehandeld. Dat geldt te meer nu het daarbij gaat om geselecteerde zaken, aan de hand waarvan appellante diende aan te tonen dat zij behalve vreemdelingenzaken en eenvoudiger bestuursrechtelijke zaken, ook de wat lastiger zaken op het terrein van het algemeen bestuursrecht en het ambtenarenrecht aankon. </para>
    <para />
    <para>3.1.1. Aan het beroep dat appellante doet op de uitspraak van deze Raad van 19 maart 2009, LJN BI4395, waarin het in een eindbeoordeling afwijken van opmerkingen uit voortgangsgesprekken aan de orde was, kan om dezelfde reden geen betekenis worden gehecht. De in geding zijnde beoordeling vertoont geen afwijking als in genoemde uitspraak aan de orde. In het tussentijdse gesprek dat in de verlengingsperiode met appellante is gevoerd, is appellante immers al voorgehouden dat haar functioneren nog niet op niveau was. Dat de scores in de eindbeoordeling van 30 augustus 2010 deels afwijken van de scores in de tussentijdse beoordeling van 20 juli 2010, kan in dit geding niet meer aan de orde komen. Opgemerkt wordt daarbij nog dat de beweegredenen die appellante heeft gehad om af te zien van het maken van bezwaar tegen de beoordeling van 30 augustus 2010, al het voorgaande niet anders kunnen maken.</para>
    <para />
    <para>3.2. Ook de beroepsgrond betreffende het nalaten door verweerder om in de bij aanvang van de opleiding gesloten opleidingsovereenkomst een ontwikkelplan op te nemen, kan, wat er van het ontbreken van een dergelijk plan op zichzelf beschouwd ook zij, niet anders worden opgevat dan als in feite gericht tegen de, immers op de reguliere opleidingsperiode betrekking hebbende, eindbeoordeling van 30 augustus 2010. In zoverre kan ook aan deze grond geen betekenis worden gehecht. Het bij genoemde beoordeling, in afwezigheid van een op de reguliere opleidingsperiode gericht ontwikkelplan, tot stand gebrachte eindoordeel over het functioneren van appellante in die periode staat, nogmaals, rechtens vast. Voor zover appellante de genoemde beroepsgrond nader heeft geadstrueerd als mede betrekking hebbend op het niet tot stand brengen van een ontwikkelplan voorafgaand aan en gericht op de verlengingsperiode, kan deze niet slagen. Vaststelling van een ontwikkelplan ten behoeve van een eventuele verlengingsperiode is in het Opleidingsstatuut van de rechtbank Rotterdam niet voorzien. Bovendien valt niet in te zien dat appellante bij aanvang van de verlenging geen of onvoldoende kennis droeg van hetgeen van haar werd verwacht. Zowel in de beoordeling van 30 augustus 2010 als in de feedbackformulieren die haar voorafgaand aan die beoordeling naar aanleiding van individuele zaken zijn verstrekt, staat duidelijk aangegeven waar het in de behandeling van die zaken aan schortte, en waar dus verbetering noodzakelijk was. Appellante heeft bovendien niet weersproken dat een en ander ook mondeling nog is toegelicht. Uit haar zienswijze op de genoemde beoordeling blijkt dan ook niet van onwetendheid op dit punt aan haar zijde, of van een behoefte aan haar kant om hetgeen van haar werd verwacht nader op schrift gesteld te zien. </para>
    <para />
    <para>3.3. Voor de Raad resteert de inhoudelijke toetsing van de bij het bestreden besluit gehandhaafde beoordeling van 14 maart 2011. Vooropgesteld wordt in dit verband dat de toetsing van de inhoud van een beoordeling volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 27 augustus 2009, LJN BJ7050 en TAR 2010,12) is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat die beoordeling op onvoldoende gronden berust. De beoordeling moet worden bezien in het licht van de situatie waarin deze plaatsvindt. In het geval van appellante is van belang dat sprake was van een verlengde opleiding met het karakter van een voortgaande selectie, gericht op functioneren als rechter dat boven iedere twijfel verheven is. </para>
    <para />
    <para>3.3.1. De Raad ziet voor het oordeel dat de genoemde beoordeling op onvoldoende gronden zou berusten geen aanleiding. In de toelichtingen op de als onvoldoende beoordeelde resultaatgebieden is een aantal voorbeelden genoemd. De daarop betrekking hebbende opmerkingen komen overeen met hetgeen is gesteld in de aan appellante uitgereikte feedbackformulieren in de bewuste zaken. Die formulieren zijn ook in zoverre van belang dat daaruit naar voren komt dat het oordeel van de opleiders over het functioneren van appellante door meerdere andere rechters werd gedeeld. Niet valt in te zien dat, zoals door appellant is aangevoerd, deze feedbackformulieren, omdat het een opleidingsinstrument betreft, niet aan de beoordeling ten grondslag hadden mogen worden gelegd. Evenmin deelt de Raad het standpunt van appellante dat geen plaats zou zijn voor negatieve oordelen op punten die in het voorafgaand aan haar opleiding door haar afgelegde assessment als positief zijn beoordeeld. Het assessment is slechts gericht op toelating tot de opleiding. De na die toelating toegepaste periodieke beoordeling van het functioneren van de rechter in opleiding en de daaruit voortvloeiende voortgezette selectie moeten geheel los daarvan worden bezien. </para>
    <para />
    <para>4. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet tot slot geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>BESLISSING</para>
      <para>De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en B.J. van de Griend en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2012.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) K.J. Kraan</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>(getekend) M.R. Schuurman</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>