<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BX9894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T02:49:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BX9894</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-10-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-7188 Wsf</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=4:17&amp;g=2012-10-05">Algemene wet bestuursrecht 4:17</dcterms:references>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=7:1&amp;g=2012-10-05">Algemene wet bestuursrecht 7:1</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2013/8</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BX9894">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BX9894</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:56:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-10-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BX9894 Centrale Raad van Beroep , 05-10-2012 / 11-7188 Wsf</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BX9894:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het besluit van 2 maart 2011 moet worden herroepen, nu dat, gelet op het voorgaande, geen adequate reactie op de brief van 18 februari 2011 behelst. Nu appellant bij het indienen van zijn bezwaarschrift de bezwaartermijn ruimschoots heeft overschreden en niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest, moet het bezwaar van 18 februari 2011 niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BX9894:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>11/7188 Wsf</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 november 2011, 11/718 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[A. te B.]</para>
    <para />
    <para>de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak 5 oktober 2012.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>De Minister heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 september 2012. Voor appellant is verschenen [K.]. De Minister was vertegenwoordigd door mr. drs. E.H.A. van den Berg.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1.1. Appellant heeft op 23 augustus 2010 een aanvullende beurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aangevraagd. Hij heeft daarbij verzocht deze beurs toe te kennen met ingang van 1 januari 2008. De Minister heeft deze aanvraag bij besluit van 28 augustus 2010 vanaf 1 september 2010 gehonoreerd. In het besluit is vermeld dat is afgeweken van de door appellant opgegeven ingangsdatum. De hoogte van de beurs is in het besluit niet vastgesteld, omdat de inkomensgegevens van de ouders van appellant nog niet bekend waren. Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft de Minister de hoogte van de aanvullende beurs aan appellant bekendgemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Bij brief van 18 februari 2011 heeft appellant bij de Minister aandacht gevraagd voor het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag om de aanvullende beurs met terugwerkende kracht toe te kennen. De Minister heeft deze brief opgevat als ingebrekestelling als bedoeld in de artikelen 4:17 e.v. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het verzoek om toekenning van een dwangsom als in deze artikelen bedoeld bij besluit van 2 maart 2011 niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>1.3. Appellant heeft op 28 maart 2011 bezwaren tegen het besluit van 2 maart 2011 kenbaar gemaakt. De Minister heeft deze bezwaren bij besluit van 26 april 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de Minister op 28 augustus 2010, en derhalve binnen de in artikel 4:13 van de Awb neergelegde beslistermijn, een beslissing op het verzoek van appellant van 23 augustus 2011 heeft genomen, zodat het bezwaar tegen het besluit van 2 maart 2011 terecht ongegrond is verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en zich op het standpunt gesteld dat de beslissing van 28 augustus 2010 door hem niet is en kon worden beschouwd als een beslissing op zijn aanvraag van 23 augustus 2010, onder meer nu daarin onvoldoende specifiek is vermeld dat met de door hem bij de aanvraag aangevoerde argumenten rekening is gehouden.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>4.1. Appellant heeft de ontvangst van het besluit van 28 augustus 2010 niet ontkend. Hij heeft niet binnen de voor dit besluit geldende bezwaartermijn bij de Minister kenbaar gemaakt dat hij zich daarmee niet kon verenigen. </para>
    <para />
    <para>4.2. De eerste brief na de aanvraag van 23 augustus 2010 waarin appellant aandacht heeft gevraagd voor zijn verzoek om toekenning van aanvullende beurs met ingang van 2008 is de brief van 18 februari 2011. In het besluit van 2 maart 2011 heeft de Minister aan appellant meegedeeld dat hij die brief heeft opgevat als ingebrekestelling, maar in hetzelfde besluit is aan appellant meegedeeld dat de brief niet als ingebrekestelling kon dienen omdat reeds op het verzoek van appellant was beslist. </para>
    <para />
    <para>4.3. Naar het oordeel van de Raad had de Minister uit het bezwaarschrift van appellant van 28 maart 2011 kunnen afleiden en ook behoren af te leiden dat appellant met de brief van 18 februari 2011 niet had beoogd de Minister in gebreke te stellen, te meer niet nu hij in dat bezwaarschrift expliciet melding heeft gemaakt van het besluit van 28 augustus 2010 en hij zijn verzoek om toekenning van een aanvullende beurs met terugwerkende kracht heeft herhaald. Boven de brief van 18 februari 2011 staat ook “bezwaarschrift”. Voor zover het de Minister niet aanstonds duidelijk was wat appellant beoogde, had het op zijn weg gelegen bij appellant naar de bedoeling van de brief van 18 februari 2011 te informeren. Nu het de Minister bekend was dat op de aanvraag van appellant reeds een beslissing was genomen waarbij van de door appellant gevraagde ingangsdatum van de aanvullende beurs werd afgeweken, had de brief van 18 februari 2011, ook al was deze ruim buiten de bezwaartermijn verzonden, moeten worden aangemerkt als bezwaarschrift tegen het besluit van 28 augustus 2010. De brief van 28 maart 2011 moet worden beschouwd als een aanvulling daarop. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. </para>
    <para />
    <para>4.4. De stelling van appellant dat hij het besluit van 28 augustus 2010 niet had hoeven opvatten als een reactie op zijn verzoek van 23 augustus 2010 slaagt niet. In het besluit van 28 augustus 2010 is duidelijk aangegeven dat dit een reactie is op een door appellant op 23 augustus doorgegeven wijziging - zijnde het verzoek om aanvullende beurs -, dat er is afgeweken van de door hem opgegeven ingangsdatum en waarom daarvan is afgeweken. Voor zover appellant het besluit van 28 augustus 2010 geen adequate reactie vond, kon hij daartegen - zoals hij uiteindelijk ook heeft gedaan - bezwaar maken.</para>
    <para />
    <para>5. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het besluit van 2 maart 2011 moet worden herroepen, nu dat, gelet op het voorgaande, geen adequate reactie op de brief van 18 februari 2011 behelst. Nu appellant bij het indienen van zijn bezwaarschrift de bezwaartermijn ruimschoots heeft overschreden en niet is gebleken dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest, moet het bezwaar van 18 februari 2011 niet-ontvankelijk worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>6. De Raad ziet aanleiding de Minister te veroordelen in de proceskosten van appellant die zijn begroot op € 28,74 aan reiskosten. Het gevraagde bedrag aan verletkosten (wegens derving van inkomsten uit freelance werkzaamheden) komt niet voor vergoeding in aanmerking nu deze kosten niet aannemelijk zijn gemaakt.</para>
    <para> </para>
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>-vernietigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>-verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>-vernietigt het besluit van 18 april 2011;</para>
      <para>-herroept het besluit van 2 maart 2011;</para>
      <para>-verklaart het bezwaar van 18 februari 2011 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 18 april 2011;</para>
      <para>-veroordeelt de Minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 28,74;</para>
      <para>-bepaalt dat de Minister het door appellant voor het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- aan hem vergoedt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2012.</para>
    <para>				</para>
    <para>(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen</para>
    <para>				</para>
    <para>(getekend) G.J. van Gendt</para>
    <para />
    <para>TM</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>