<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BW7158</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T19:52:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW7158</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-05-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-2347 AW-VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BW7158">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BW7158</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:15:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-05-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BW7158 Centrale Raad van Beroep , 30-05-2012 / 12-2347 AW-VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BW7158:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening. Geen spoedeisend belang. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert of dreigt te verkeren die een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat verzoeker thans een WW-uitkering ontvangt ter hoogte van 70% van zijn laatstverdiende loon, is onvoldoende om een dergelijke financiële noodsituatie aan te nemen. Dat de gemeente IJsselstein eigen risicodrager is met betrekking tot deze uitkering is geen omstandigheid die een spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker kan opleveren. Verder is niet gebleken dat de medische situatie van verzoeker zodanig is dat om die reden een spoedeisend belang aanwezig moet worden geacht. Hierbij wijst de voorzieningenrechter erop dat verzoeker de gestelde psychische spanningen niet heeft onderbouwd met medische verklaringen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BW7158:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <parablock>
      <para>12/2347 AW-VV</para>
      <para>Centrale Raad van Beroep</para>
      <para>Voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening </para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein (college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak 30 mei 2012.</para>
    <para> </para>
    <parablock>
      <para>PROCESVERLOOP</para>
      <para>Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 24 februari 2012, 11/2295 (aangevallen uitspraak) en tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek op een zitting achterwege gebleven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>OVERWEGINGEN</para>
      <para>1. Op grond van de gedingstukken gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.1. Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft het college aan verzoeker op grond van artikel 8:1 van de CAR/UWO ontslag verleend per uiterlijk 1 juli 2011. Tegen dit besluit heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt. Het verzoek van verzoeker van 21 december 2010 om van dit besluit terug te komen en om hem per uiterlijk 1 februari 2011 te benoemen in een nader te bepalen functie, heeft het college bij besluit van 4 februari 2011 afgewezen. Bij besluit van 4 april 2011 heeft het college de sollicitatie van verzoeker naar de functies van allround beleidsmedewerker B en senior juridisch kwaliteitsmedewerker afgewezen. Bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 februari 2011, voor zover gericht tegen de weigering om terug te komen van het besluit van 6 oktober 2010, ongegrond verklaard. Verder heeft het college bij bestreden besluit 1 het bezwaar van verzoeker, voor zover gericht tegen de weigering om hem uiterlijk per 1 februari 2011 in een nader te bepalen functie te benoemen, evenals het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2011, niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>2.1. Naar aanleiding van een door de rechtbank op 26 augustus 2011 gedane tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 20 september 2011 (bestreden besluit 2) het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 4 februari 2011, voor zover gericht tegen de weigering om hem uiterlijk per 1 februari 2011 in een nader te bepalen functie te benoemen, evenals het bezwaar tegen het besluit van 4 april 2011, alsnog ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, voor zover daarbij de bezwaren van verzoeker tegen de weigering om hem uiterlijk per 1 februari 2011 te benoemen in een nader te bepalen functie en de weigering om hem te benoemen in de functie van allround beleidsmedewerker B en senior juridisch kwaliteitsmedewerker niet-ontvankelijk zijn verklaard. Hierbij heeft de rechtbank bestreden besluit 1 in zoverre vernietigd. Verder heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1, voor zover dat zag op de weigering om terug te komen van het besluit van 6 oktober 2010, ongegrond verklaard. Tot slot heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker heeft de Raad verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het dienstverband wordt hersteld en dat wordt bepaald dat verzoeker zo spoedig mogelijk weer werkzaamheden kan gaan verrichten voor de gemeente IJsselstein. Daarbij heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij momenteel een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidswet (WW) ter hoogte van 70% van zijn laatstverdiende loon en dat de gemeente IJsselstein eigen risicodrager is met betrekking tot deze uitkering en dus de lasten van deze uitkering moet dragen, terwijl er geen tegenprestatie in de vorm van arbeid tegenover staat. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat de handelwijze van het college hem geestelijk leed heeft toegebracht en nog steeds toebrengt. Tot slot heeft verzoeker naar voren gebracht dat bij de gemeente IJsselstein momenteel verschillende taken worden geprivatiseerd en dat hij er belang bij zou hebben om als ambtenaar van de gemeente IJsselstein mee te kunnen dingen naar functies buiten de gemeente.</para>
    <para />
    <para>4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien overwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>4.2. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb. Niet gesteld of gebleken is dat verzoeker in een financiële noodsituatie verkeert of dreigt te verkeren die een voorlopige voorziening zou kunnen rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat verzoeker thans een WW-uitkering ontvangt ter hoogte van 70% van zijn laatstverdiende loon, is onvoldoende om een dergelijke financiële noodsituatie aan te nemen. Dat de gemeente IJsselstein eigen risicodrager is met betrekking tot deze uitkering is geen omstandigheid die een spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker kan opleveren. Verder is niet gebleken dat de medische situatie van verzoeker zodanig is dat om die reden een spoedeisend belang aanwezig moet worden geacht. Hierbij wijst de voorzieningenrechter erop dat verzoeker de gestelde psychische spanningen niet heeft onderbouwd met medische verklaringen. Ook anderszins is niet gebleken van een spoedeisend belang zoals hier aan de orde.</para>
    <para />
    <para>4.3. Uit het voorgaande volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 8:81 van de Awb gestelde voorwaarde van onverwijlde spoed, zodat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is en moet worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012.</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans</para>
    <para>					</para>
    <para>(get.) P.W.J. Hospel</para>
    <para />
    <para>RG</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>