<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BW6557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T19:30:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW6557</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-05-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">12-1968 AW-VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BW6557">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BW6557</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:13:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BW6557 Centrale Raad van Beroep , 16-05-2012 / 12-1968 AW-VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BW6557:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toewijzing voorlopige voorziening. Ontslag. Gelet op de financiële situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is niet gebleken dat op de datum van het ontslag sprake was van zodanig verstoorde verhoudingen dat geen sprake meer zou kunnen zijn van een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Zo’n situatie is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wel aan de orde na de beschuldigende opstelling van verzoeker tijdens de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie. Vanaf dat moment was het dagelijks bestuur bevoegd om verzoeker wegens verstoorde verhoudingen ontslag te verlenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dan ook in redelijke mate waarschijnlijk dat het bestreden besluit wat betreft de ontslagdatum niet in stand zal blijven.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BW6557:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>12/1968 AW-VV </para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <para>Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening </para>
    <para />
    <para>Partijen:</para>
    <para />
    <para>[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)</para>
    <para />
    <para>het Dagelijks bestuur van het stadsdeel Nieuw-West (dagelijks bestuur)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 16 mei 2012</para>
    <para />
    <para />
    <para>PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Het dagelijks bestuur heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 maart 2011, 10/1299 (aangevallen uitspraak).</para>
    <para />
    <para>Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 24 januari 2012 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.</para>
    <para />
    <para>Verzoeker heeft een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2012. Verzoeker is ter zitting verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Th.M. van Doesum, advocaat, en mr. C. Achthoven.</para>
    <para />
    <para />
    <para>OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Verzoeker is vanaf 1 december 2003 aangesteld als medewerker afvalpunt bij het [afvalpunt]. Met ingang van 1 maart 2007 is dit afvalpunt overgenomen door de [stichting] (stichting). Bij besluit van 12 maart 2007 is aan verzoeker meegedeeld dat hij niet wordt overgedragen aan de stichting. Daartegen heeft verzoeker geen rechtsmiddelen aangewend.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 4 september 2007 heeft het dagelijks bestuur verzoeker ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de functie anders dan wegens ziekte of gebrek. Bij besluit van 11 maart 2008 is het ontslag naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriften-commissie herroepen. Vanaf 3 juni 2008 is verzoeker gedetacheerd bij het [afvalpunt 2]. Op 13 juli 2008 heeft verzoeker een fietsongeluk gehad, als gevolg waarvan hij tot december 2008 arbeidsongeschikt is geweest. Het [afvalpunt 2] heeft vervolgens te kennen gegeven verzoeker niet te willen plaatsen, omdat hij niet in het team past. Bij e-mail van 26 januari 2009 heeft het dagelijks bestuur contact gezocht met het Afvalenergiebedrijf met de vraag of verzoeker ergens kon worden ingezet. Dit bleek niet het geval te zijn. Het dagelijks bestuur heeft getracht verzoeker tijdelijk geplaatst te krijgen bij de gemeente Almere. Een gesprek daarover heeft echter geen doorgang gevonden.</para>
    <para />
    <para>1.3. Bij brief van 10 augustus 2009 heeft het dagelijks bestuur aan verzoeker  meegedeeld voornemens te zijn hem ontslag te verlenen op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA). Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat een vruchtbare samenwerking onmogelijk is en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet kan worden verwacht.</para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluit van 27 oktober 2009 heeft het dagelijks bestuur verzoeker per 1 januari 2010 ontslag verleend onder toekenning van de gemaakte kosten van rechtsbijstand in 2007 en 2009, te vergoeden tot een maximum van € 5.000,-.</para>
    <para />
    <para>1.5. Bij besluit van 23 maart 2010 heeft het dagelijks bestuur het tegen het besluit van 27 oktober 2009 gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Bij besluit van 16 november 2010 heeft het dagelijks bestuur de toegekende vergoeding aangepast naar een bedrag van € 7.000,- netto. Voorts zijn de kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase vergoed.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de korpsbeheerder opdracht gegeven om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe - kort samengevat - overwogen dat de omstandigheden van het geval onvoldoende zijn om te concluderen dat sprake was van impasse, zodat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om verzoeker op die grond ontslag te verlenen. Wel is naar het oordeel van de rechtbank sprake van verstoorde verhoudingen. Het is de rechtbank echter niet duidelijk geworden wanneer de verhoudingen verstoord zijn geraakt, reden waarom de rechtbank niet zal bepalen dat de rechtsgevolgen in stand blijven. Het dagelijks bestuur dient opnieuw op het bezwaar van verzoeker te beslissen. </para>
      <para>Het dagelijks bestuur heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.1. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 24 januari 2012 het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2009 wederom ongegrond verklaard. Daaraan heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat de verhoudingen al in 2007 onherstelbaar verstoord waren. Dat is ook mede de reden geweest waarom verzoeker niet is overgegaan naar de stichting. Daarna is er nooit een verbetering geweest. Ook hetgeen tijdens de hoorzitting van 11 februari 2010 gebeurde, waar verzoeker in een lange tirade een HRM-medewerkster van het stadsdeel verantwoordelijk stelde voor zijn fietsongeluk en zijn medische gesteldheid, laat volgens het dagelijks bestuur zien hoe onwerkbaar de arbeidsverhouding was.</para>
    <para />
    <para>2.2. Verzoeker kan zich met dit besluit niet verenigen en heeft hiertegen beroep ingesteld. In verband daarmee heeft hij het verzoek gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt ertoe de werking van het besluit van 24 januari 2012 te schorsen, tot het moment waarop door de Raad in de hoofdzaak uitspraak is gedaan.</para>
    <para />
    <para>3. Naar aanleiding van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.</para>
    <para />
    <para>3.1. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Ook indien, zoals in dit geval, in een aanhangig hoger beroep met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19 van de Awb - naar alle waarschijnlijkheid - mede betrokken zal worden een ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen nieuw besluit waarmee niet is tegemoetgekomen aan het bezwaar van de belanghebbende, kan ter zake van dat besluit de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen. </para>
    <para />
    <para>3.2. Het besluit van 24 januari 2012 is genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak dient, nu ter zake geen schorsende werking is verzocht, bij de beoordeling van het onderhavige verzoek als een gegeven te worden beschouwd. Dit betekent dat de voorzieningenrechter er vanuit moet gaan dat sprake is van verstoorde verhoudingen. Ter beoordeling staat dan of het in redelijke mate waarschijnlijk is dat het nieuwe besluit, waarbij het dagelijks bestuur heeft gesteld dat op 1 januari 2010 sprake was van verstoorde verhoudingen, in rechte geen stand houdt. Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel hierover een voorlopig karakter draagt en niet bindend is voor de uitspraak van de Raad in de hoofdzaak.</para>
    <para />
    <para>3.3. Gelet op de financiële situatie van verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende spoedeisend belang.</para>
    <para />
    <para>3.4. Uit de dossierstukken leidt de voorzieningenrechter af dat zich in 2006 en 2007 verschillende situaties hebben voorgedaan waarbij de houding en het gedrag van verzoeker ter discussie stond. Naar aanleiding daarvan heeft het dagelijks bestuur verzoeker in 2007 ongeschiktheidsontslag verleend. Toen dat ontslag na bezwaar niet in stand bleef, heeft het dagelijks bestuur verzoeker gedetacheerd bij [afvalpunt 2]. Die detachering is tot een einde gekomen na het fietsongeluk van verzoeker in 2008 omdat hij niet in het team zou passen. Nadien is het niet meer gelukt om verzoeker elders te plaatsen en verzoeker heeft tot de datum van het ontslag niet meer gewerkt.</para>
    <para> </para>
    <para>3.5. Uit de stukken blijkt verder dat zich in de periode van eind 2008 tot aan de datum van het ontslag geen nieuwe voorvallen hebben voorgedaan waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van verstoorde verhoudingen. Verzoeker heeft ook niet gewerkt in die periode. Er heeft enkel mailverkeer plaatsgehad naar aanleiding van de ziekmelding van verzoeker. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dan ook niet gebleken dat op de datum van het ontslag, 1 januari 2010, sprake was van zodanig verstoorde verhoudingen dat geen sprake meer zou kunnen zijn van een vruchtbare voortzetting van het dienstverband. Zo’n situatie is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wel aan de orde na de  beschuldigende opstelling van verzoeker tijdens de hoorzitting bij de bezwaarschriftencommissie op 11 februari 2010. Vanaf dat moment is verzoeker ook verwijtende brieven gaan schrijven. Het dagelijks bestuur was vanaf 11 februari 2010 bevoegd om verzoeker wegens verstoorde verhoudingen ontslag te verlenen. Met inachtneming van de aanzegtermijn van negen weken die ingevolge artikel 12.1 van de NRGA geldt, had het ontslag op zijn vroegst mogen ingaan per 15 april 2010.</para>
    <para />
    <para>4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het dan ook in redelijke mate waarschijnlijk dat het besluit van 24 januari 2012 wat betreft de ontslagdatum niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet aanleiding het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe te wijzen, voor zover als ingangsdatum van het ontslag 1 januari 2010 in plaats van 15 april 2010 is vastgesteld. Dit betekent dat verzoeker over de periode 1 januari 2010 tot en met 14 april 2010 alsnog recht heeft op betaling van de bezoldiging. Het dagelijks bestuur dient zo spoedig mogelijk dit bedrag aan verzoeker uit te betalen.</para>
    <para />
    <para>5. In het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 16,60 aan door verzoeker gemaakte reiskosten.  </para>
    <para />
    <para />
    <para>BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe;</para>
      <para>- schorst de werking van het besluit van 24 januari 2012, voor zover daarbij als ontslagdatum 1 januari 2010 in plaats van 15 april 2010 is vastgesteld, totdat door de Raad in de bodemprocedure zal zijn beslist;</para>
      <para>- bepaalt dat het dagelijks bestuur voor de periode 1 januari 2010 tot en met  14 april 2010 alsnog bezoldiging betaalt;</para>
      <para>- veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten tot een bedrag van € 16,60;</para>
      <para>- bepaalt dat het dagelijks bestuur aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht van € 232,- vergoedt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.</para>
    <para />
    <para>(get.) K.J. Kraan.</para>
    <para />
    <para>(get.) M.C. Nijholt.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>