<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BW5021</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T18:24:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW5021</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-3206 ZW</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BW5021">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BW5021</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:08:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BW5021 Centrale Raad van Beroep , 02-05-2012 / 11-3206 ZW</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BW5021:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking ZW-uitkering en toeslag. Intrekking WW-uitkering. Terugvordering. Het onderzoek van het Uwv is voldoende zorgvuldig verricht. Op grond van dit onderzoek is voldoende aannemelijk geworden dat appellante gedurende de door haar gestelde periode niet daadwerkelijk werkzaam is geweest in dienst van [uitzendbureau]. Het Rapport Werknemersfraude biedt voldoende basis voor de conclusie dat er bij [uitzendbureau] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd geeft een aanleiding voor een ander oordeel. Appellante is ten tijde van belang ten onrechte als werknemer in de zin van de toepasselijke socialeverzekeringswetten aangemerkt en had geen recht op de WW- en ZW-uitkeringen en de toeslag op grond van de TW.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BW5021:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>11/3206 ZW</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 25 mei 2011, 10/6022 (aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 2 mei 2012</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante is hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan mr. drs. P. van Wegen, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.H.M. Visser.</para>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN </para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante was volgens haar opgave van 12 januari 2004 tot en met 28 april 2005 werkzaam bij [uitzendbureau]. Met ingang van 2 mei 2005 is haar een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend en in verband met een ziekmelding vanaf 5 mei 2005 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) en een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW).</para>
    <para />
    <para>1.2. Op basis van onderzoeksbevindingen in het kader van het project “Schijn bedriegt”, neergelegd in een Rapport Werknemersfraude van 14 december 2007, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante geen werkzaamheden in dienstverband voor [uitzendbureau] heeft verricht en dat er sprake was van een gefingeerde dienstbetrekking. </para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluiten van 1 en 8 april 2008 heeft het Uwv de ZW-uitkering en de toeslag van appellante met ingang van 5 mei 2005 beëindigd en de ten onrechte betaalde uitkering en toeslag over de periode van 5 mei 2005 tot en met 27 augustus 2006 tot een bedrag van € 19.439,14 bruto van appellante teruggevorderd.</para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluiten van 25 en 26 juni 2008 heeft het Uwv het recht van appellante op WW-uitkering met ingang van 2 mei 2005 ingetrokken en de ten onrechte betaalde uitkering over de periode van 2 mei 2005 tot en met 4 mei 2005 tot een bedrag van € 157,06 bruto van appellante teruggevorderd. </para>
    <para />
    <para>1.5. Bij besluit van 28 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de hiervoor genoemde besluiten ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daarbij het standpunt gehandhaafd dat appellante niet persoonlijk arbeid heeft verricht voor [uitzendbureau].</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van het fraudeonderzoek van het Uwv voldoende aannemelijk geworden dat in 2004 en 2005 geen sprake is geweest van een dienstbetrekking met [uitzendbureau]. Het Rapport Werknemersfaude van 14 december 2007 met de daarbij behorende processen-verbaal biedt voldoende basis voor de conclusie dat er bij [uitzendbureau] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband met appellante. Door de eigenaar van [uitzendbureau], [K.], zijn met betrekking tot appellante innerlijk tegenstrijdige, onduidelijke en fragmentarische verklaringen afgelegd. Aan een zich onder de gedingstukken bevindende uitzendovereenkomst en arbeidsovereenkomst tussen Kaya en appellante komt op zichzelf onvoldoende betekenis toe nu deze niet gesteund worden door de administratie van [uitzendbureau] en verklaringen van inleners. Door appellante zijn omtrent door haar via [uitzendbureau] verrichte werkzaamheden geen concrete en consistente gegevens overgelegd. Appellante heeft tegenover de opsporingsfunctionarissen tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot de locaties waar zij heeft gewerkt als chauffeur en productiemedewerkster en heeft haar standpunt daaromtrent tijdens de verhoren herhaaldelijk en niet onderbouwd gewijzigd. Het door de opsporingsfunctionarissen ingestelde onderzoek naar de diverse door appellante genoemde werklocaties heeft geen enkel concreet gegeven ter onderbouwing van haar standpunt opgeleverd. Nu appellante niet is aan te merken als werknemer en derhalve niet verzekerd was voor de WW, de ZW en de TW heeft het Uwv terecht het recht op uitkering op grond van de WW en de ZW en toeslag op grond van de TW herzien en deze uitkeringen en toeslag van appellante teruggevorderd. </para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij wel degelijk arbeid heeft verricht in het kader van een dienstbetrekking met [uitzendbureau]. De tegenstrijdigheden in haar verklaringen zijn uitsluitend veroorzaakt door een slecht herinneringsvermogen ten gevolge van een hersenoperatie in 2004. De getuigenverklaringen die door het Uwv zijn verzameld tonen niet aan dat er sprake zou zijn geweest van een fictief dienstverband. Door de strafrechter is geoordeeld dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van opmaak van valse stukken. Tot slot heeft appellante erop gewezen dat ook het Uwv van mening is dat zij daadwerkelijk een aantal weken heeft gewerkt voor werkgever [K.]. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad stelt voorop, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 1 juli 2010, LJN BN0957, dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking van appellante met [uitzendbureau]. </para>
    <para />
    <para>4.2. Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren en verklaringen van betrokkenen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken.</para>
    <para />
    <para>4.3. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het onderzoek van het Uwv voldoende zorgvuldig is verricht en dat op grond daarvan voldoende aannemelijk is geworden dat appellante gedurende de door haar gestelde periode niet daadwerkelijk werkzaam is geweest in dienst van [uitzendbureau], voordat zij zich per 2 mei 2005 werkloos meldde. Het Rapport Werknemersfraude biedt voldoende basis voor de conclusie dat er bij [uitzendbureau] sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband. De Raad onderschrijft de overwegingen in de aangevallen uitspraak waarop de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd. Evenals de rechtbank heeft de Raad voor de conclusie dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband doorslaggevende betekenis toegekend aan de constatering dat door de eigenaar van [uitzendbureau], [K.], innerlijk tegenstrijdige, onduidelijke en fragmentarische verklaringen zijn afgelegd met betrekking tot appellante en dat door appellante tegenstrijdige verklaringen zijn afgelegd met betrekking tot de locaties waar zij heeft gewerkt als chauffeur en productiemedewerkster en zij haar standpunt daaromtrent tijdens de verhoren herhaaldelijk en niet onderbouwd heeft gewijzigd. </para>
    <para />
    <para>4.4. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid. Alhoewel toegezegd heeft appellante nagelaten ter onderbouwing van haar standpunt, dat de tegenstrijdigheid van haar verklaringen veroorzaakt wordt door een slecht herinneringsvermogen ten gevolge van een hersenoperatie in 2004, een objectieve medische verklaring in het geding te brengen. De Raad gaat voorbij aan de bij de rechtbank overgelegde verklaringen van [L.], [M.] en [K.]. Deze verklaringen bevatten niet meer dan de enkele mededeling dat appellante werkzaamheden heeft verricht voor [uitzendbureau]. Bezien tegen de achtergrond van de bevindingen van het fraudeonderzoek zijn deze nadere verklaringen te weinig concreet en substantieel om daaraan de gevolgtrekking te verbinden dat appellante ten tijde van belang daadwerkelijk persoonlijk arbeid heeft verricht voor [uitzendbureau]. Met betrekking tot de omstandigheid dat de strafrechter appellante heeft vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten merkt de Raad op dat de bestuursrechter bij de vaststelling van de feiten en de beoordeling van het hem voorgelegde geschil niet gebonden is aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de strafrechter is geoordeeld. In een strafrechtelijke procedure ligt een andere rechtsvraag voor en is een ander procesrecht van toepassing. De Raad volgt appellante evenmin in haar opvatting dat het Uwv het standpunt heeft ingenomen dat zij daadwerkelijk een aantal weken heeft gewerkt voor [K.]. Hetgeen daaromtrent in het Rapport Werknemersfraude onder punt 14 is vermeld, is slechts een weergave in eigen woorden van de rapporteur van de verklaringen die door [K.] blijkens de processen-verbaal van verhoor zijn afgelegd. Gezien ook het in verweer in hoger beroep ingenomen standpunt van het Uwv, is geen sprake van een erkenning dat appellante enkele weken bij [uitzendbureau] werkzaamheden zou hebben verricht. </para>
    <para />
    <para>4.5. Gelet op hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat appellante ten tijde van belang ten onrechte als werknemer in de zin van de toepasselijke socialeverzekeringswetten is aangemerkt en geen recht had op de WW- en ZW-uitkeringen en de toeslag op grond van de TW. Dit betekent dat de Raad het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat het Uwv terecht deze uitkeringen en toeslag heeft herzien en teruggevorderd. </para>
    <para />
    <para>5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. </para>
    <para />
    <para>6. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep,</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.L.P.G. van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2012.</para>
    <para />
    <para>(get.) Ch. van Voorst.</para>
    <para />
    <para>(get.) I.J. Penning.</para>
    <para />
    <para>JL</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>