<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BW4822</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T18:24:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BW4822</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-2355 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BW4822">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BW4822</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T10:07:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BW4822 Centrale Raad van Beroep , 04-05-2012 / 11-2355 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BW4822:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Er is onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de beperkingen van appellant op zowel het psychische als het lichamelijke vlak zijn onderschat. Er zijn geen aanknopingspunten om af te wijken van de volgens vaste rechtspraak geldende regel inzake het belang dat doorgaans dient te worden toegekend aan een rapport van een onafhankelijk medisch deskundige. Bevestiging aangevallen uitspraak. Het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BW4822:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>11/2355 WAO</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats], Spanje (appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 maart 2011, 08/2368 (aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 4 mei 2012</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. E.R. Lambooy, advocaat, hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    <para />
    <para>In aanvulling op het verweerschrift heeft het Uwv een reactie ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts van 28 juli 2011. Tevens is nadere informatie verstrekt inzake een besluit van 10 februari 2011, onder meezending van een selectie van op dat besluit betrekking hebbende stukken. </para>
    <para />
    <para>Namens appellant is een rapport van 16 februari 2012 van psychiater M. Kazemier en psycholoog E. van Rhede, in het geding gebracht. </para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft in reactie op het rapport van 16 februari 2012 een rapport van 7 maart 2012 van bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek aan de Raad doen toekomen. </para>
    <para />
    <para>Namens appellant zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld. Tevens is daarbij verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is een rapport van 11 maart 2012 van bedrijfsarts en medisch adviseur J. Jonker in het geding gebracht. </para>
    <para />
    <para>Het Uwv heeft gereageerd met een rapport van 20 maart 2012 van bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer en een rapport van 21 maart 2012 van bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lambooy. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1.1. Bij besluit van 12 juni 2007 heeft het Uwv de naar een volledige mate van arbeidsongeschiktheid berekende uitkering van appellant ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering met ingang van 31 juli 2007 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. </para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 26 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juni 2007 ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten. </para>
    <para />
    <para>2.2. De rechtbank heeft ten behoeve van haar oordeelsvorming psychiater prof. dr. G.F. Koerselman als deskundige geraadpleegd. Koerselman heeft bij onderzoek van appellant op 24 juni 2010 een posttraumatische stressstoornis, in gedeeltelijke remissie, alsmede een paniekstoornis met agorafobie vastgesteld. Daarbij is door hem tevens aangegeven dat de toestand van appellant van 2007 tot datum onderzoek relatief is achteruitgegaan en dat de klachten van appellant op de datum in geding minder ernstig moeten zijn geweest dan ten tijde van het onderzoek. </para>
    <para />
    <para>2.3. In zijn rapport van 9 augustus 2010 heeft de deskundige aangegeven zich op één uitzondering na te kunnen vinden in de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 mei 2007. Zijns inziens moest het medicatiegebruik van appellant ten tijde van belang wel een beperking met zich brengen ten aanzien van persoonlijk risico. Appellants vroegere blootstelling aan persoonlijke bedreiging moest eveneens een beperking met zich brengen ten aanzien van situaties waarin zulke vormen van bedreiging zich opnieuw zouden kunnen voordoen. Als met deze aangepaste beperkingen rekening wordt gehouden, had appellant, aldus Koerselman, vanuit psychiatrische optiek op 31 juli 2007 40 uur per week moeten kunnen werken. Zijn psychiatrische toestand deed op de datum in geding geen urenbeperking geïndiceerd zijn. </para>
    <para />
    <para>2.4. De bezwaarverzekeringsarts heeft zich kunnen vinden in de conclusies van Koerselman en heeft op basis van die conclusies de FML uitgebreid met een beperking ten aanzien van persoonlijk risico. </para>
    <para />
    <para>2.5. De rechtbank heeft geen bijzondere omstandigheden gezien die een afwijking rechtvaardigen van de volgens vaste rechtspraak geldende regel dat doorgaans het oordeel van een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige dient te worden gevolgd.</para>
    <para />
    <para>2.6. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts op juiste wijze de FML in overeenstemming heeft gebracht met de bevindingen van Koerselman. Met de aldus aangepaste FML zijn naar het oordeel van de rechtbank de voor appellant op de datum in geding geldende beperkingen niet onderschat. </para>
    <para />
    <para>2.7. Omdat de FML op een onderdeel niet juist is gebleken, heeft de rechtbank aanleiding gevonden om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. </para>
    <para />
    <para>2.8. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit zijn door de rechtbank in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe in aanmerking genomen dat de bezwaararbeidsdeskundige aan de hand van de in beroep aangepaste FML de voor appellant geselecteerde functiemogelijkheden opnieuw heeft bezien en daarbij heeft geconcludeerd dat alle oorspronkelijk geduide functies ongewijzigd passend blijven voor appellant. De rechtbank heeft zich kunnen verenigen met de door de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van de passendheid van die functies verstrekte toelichting en heeft zich dan ook kunnen stellen achter evenvermelde conclusie van de bezwaararbeidsdeskundige. </para>
    <para />
    <para>3.1. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen de instandlating door de rechtbank van de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit. De gronden van appellant in hoger beroep, voor zover ter zitting van de Raad gehandhaafd en nader uiteengezet, komen in de kern erop neer dat appellant van mening is dat de ernst van zowel zijn psychische als zijn lichamelijke beperkingen is onderschat. </para>
    <para />
    <para>3.2. Ter ondersteuning van deze opvatting doet appellant, wat betreft zijn psychische klachten, een beroep op het in rubriek I vermelde rapport van psychiater Kazemier en psycholoog Van Rhede en, wat betreft zijn lichamelijke klachten, op het eveneens in rubriek I vermelde rapport van bedrijfsarts en medisch adviseur Jonker. Volgens appellant is ook ten onrechte de eerder aangenomen urenbeperking komen te vervallen. Appellant acht zich niet in staat tot het vervullen van de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. </para>
    <para />
    <para>4.1. Met betrekking tot de psychische gezondheidssituatie van appellant ten tijde in dit geding van belang en de voor hem daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid, kent de Raad, in navolging van de rechtbank, doorslaggevende betekenis toe aan de conclusies van de door de rechtbank als deskundige geraadpleegde psychiater Koerselman. Ook de Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om af te wijken van de volgens vaste rechtspraak geldende regel inzake het belang dat doorgaans dient te worden toegekend aan een dergelijk rapport van een onafhankelijk medisch deskundige. De Raad neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat het rapport van Koerselman blijk geeft van een voldoende zorgvuldig en diepgaand onderzoek van appellant en de conclusies van de deskundige op inzichtelijke en overtuigende wijze aan de hand van de onderzoeksbevindingen zijn onderbouwd. </para>
    <para />
    <para>4.2. Voorts overweegt de Raad dat ook het rapport van Kazemier en Van Rhede geen aanknopingspunten biedt om in afwijking van de hiervoor vermelde hoofdregel geen doorslaggevende betekenis toe te kennen aan de bevindingen en conclusies van Koerselman. De Raad stelt zich achter de reactie op het rapport van Kazemier en Van Rhede van bezwaarverzekeringsarts Koek, als vervat in haar rapport van 7 maart 2012. Voor zover in het rapport van Kazemier en van Rhede met betrekking tot de in geding zijnde datum 31 juli 2007 tot een andere visie wordt gekomen inzake de voor appellant te stellen diagnose en de voor hem van toepassing te achten arbeidsbeperkingen, kan die enkele andersluidende visie niet worden aangemerkt als een toereikende grond om voorbij te gaan aan de conclusies van de deskundige. Bezwaarverzekeringsarts Koek wijst er met juistheid op dat uit het rapport van Kazemier en Van Rhede niet kan worden afgeleid welke elementen in het rapport van Koerselman onjuist zouden zijn te achten. </para>
    <para />
    <para>4.3. Ten slotte merkt de Raad in dit verband nog op dat de in 2010 door Kazemier en van Rhede vastgestelde toename van de psychische klachten van appellant en de verslechtering van zijn situatie - welke verslechtering, naar is vermeld onder 2.3, ook door Koerselman is onderkend - in dit geding geen rol kunnen spelen. Deze verslechtering heeft inmiddels geleid tot een ophoging van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 29 juni 2010 naar de klasse 65 tot 80%. </para>
    <para />
    <para>4.4. Voorts overweegt de Raad dat hij ook met betrekking tot de lichamelijke klachten van appellant onvoldoende grondslag ziet voor het oordeel dat de beperkingen van appellant zijn onderschat. De Raad kan zich vinden in het commentaar van bezwaarverzekeringsarts Cramer van 20 maart 2012 op het rapport van Jonker. In dat commentaar wordt erop gewezen dat Jonker appellant niet zelf heeft onderzocht en zich heeft beperkt tot een bestudering van het medische dossier. Nieuwe medische gegevens worden door Jonker niet aangevoerd. De Raad is van oordeel dat het rapport van Jonker geen objectief-medische argumenten bevat om de voor appellant in aanmerking genomen beperkingen op het lichamelijke vlak als onjuist of onvoldoende vergaand aan te merken. Zulke objectief-medische argumenten heeft de Raad ook in de overige omtrent appellant beschikbare medische gegevens niet aangetroffen.</para>
    <para />
    <para>4.5. De Raad concludeert dat appellant niet erin geslaagd is aannemelijk te maken dat de medische grondslag van het bestreden besluit onjuist is. </para>
    <para />
    <para>4.6. Ten slotte heeft de Raad evenmin aanknopingspunten voor het oordeel dat de belasting die is verbonden aan de functies die bij de schatting in aanmerking zijn genomen de voor appellant vastgestelde belastbaarheid overschrijdt. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, overweegt de Raad in dit verband nog dat de stelling van appellant dat de functies voor hem medisch niet haalbaar zijn, in overwegende mate is gebaseerd op zijn - blijkens het vorenoverwogene niet door de Raad gevolgde - opvatting dat zijn beperkingen zijn onderschat. </para>
    <para />
    <para>4.7. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.6 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd. </para>
    <para />
    <para>5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. </para>
    <para> </para>
    <para>6.1. Appellant heeft gewezen op de lange duur van de procedure en verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Met betrekking tot dat verzoek overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <para>6.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt.</para>
    <para />
    <para>6.3. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (LJN BH1009) is de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In de uitspraak van 26 januari 2009 heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 6.2 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.</para>
    <para />
    <para>6.4. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant op 23 juli 2007 tot de datum van deze uitspraak op  4 mei 2012 zijn vier jaar en ruim 9 maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv ruim 11 maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 5 augustus 2008 tot de uitspraak op 24 maart 2011 (de uitspraak vermeldt 24 maart 2010 als datum uitspraak, maar dit berust op een kennelijke vergissing en moet gelezen worden als 24 maart 2011) twee jaar en ruim zeven maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 20 april 2011 tot deze uitspraak op 4 mei 2012 ruim 1 jaar geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn is geschonden in zowel de bestuurlijke fase als in de rechterlijke fase.</para>
    <para />
    <para>6.5. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht moet worden beslist omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke en in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding het onderzoek ter heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;</para>
      <para>Bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder de nummers 12/2206 BESLU en 12/2207 BESLU ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van appellant om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn en merkt tevens de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2012.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) J.W. Schuttel.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) G.J. van Gendt</para>
    <para />
    <para>NW</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>