<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BV7896</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T14:27:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BV7896</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-6097 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV7896">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV7896</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:47:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-03-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BV7896 Centrale Raad van Beroep , 28-02-2012 / 09-6097 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV7896:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Schending inlichtingenverplichting met betrekking tot verkrijgen van nalatenschap. Niet aannemelijk gemaakt dat er zodanige schulden bestaan met daaraan verbonden een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling, dat er geen sprake is van oververmogen. Geen dringende redenen af te zien van terugvordering. Beroep op “zes-maanden-jurisprudentie” faalt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV7896:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/6097 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 september 2009, 09/1651 (aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (college)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 28 februari 2012</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het college heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Appellante heeft nadere stukken ingediend. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft, met het onderzoek in de gevoegde zaak met reg.nr. 10/2942 WWB, plaatsgevonden op 17 januari 2012, waar appellante is verschenen en het college zich heeft laten vertegenwoordigen door Ph.H. Arnold. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak doet de Raad heden afzonderlijk uitspraak.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.2. Appellante ontving sinds 13 juli 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Haar vader is overleden [in] 2006. Het aandeel van appellante in de nalatenschap bedroeg € 43.062,36. Dit bedrag is op 16 juli 2007 op haar bankrekening bijgeschreven.</para>
    <para />
    <para>1.3. Het college heeft de bijstand van appellante bij besluit van 29 oktober 2008 met ingang van 27 september 2006 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van de gemaakte bijstand over de periode van 27 september 2006 tot en met 31 augustus 2008 tot een bedrag van € 14.715,50 bruto van appellante teruggevorderd.</para>
    <para />
    <para>1.4. Bij besluit van 11 februari 2009 (het bestreden besluit) heeft het college - onder wijziging van de motivering - het bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft de kosten van bijstand over de periode van 27 september 2006 tot 16 juli 2007 teruggevorderd. Over de periode vanaf 16 juli 2007 heeft het college de bijstand ingetrokken en de kosten van de ten onrechte verleende bijstand over de periode van 16 juli 2007 tot en met 31 augustus 2008 teruggevorderd. </para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.</para>
    <para> </para>
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.1. Artikel 54, derde lid, van de WWB bepaalt - voor zover hier van belang - dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand het college een dergelijk besluit kan herzien of intrekken:</para>
      <para>a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.2. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.</para>
    <para />
    <para>4.3. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB bepaalt dat het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand kan terugvorderen, voor zover de bijstand anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in paragraaf 3.4 beschikt of kan beschikken. Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zouden zijn gemaakt indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd hangt samen met het complementaire karakter van de WWB.</para>
    <para />
    <para>4.4. Volgens vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 18 september 2007, LJN BB3921, ontstaan de aanspraken op een erfdeel uit een nalatenschap op de datum van overlijden van de erflater. Vast staat dat appellante [in] 2006 een aanspraak heeft gekregen op haar aandeel in de nalatenschap van haar vader en dat zij op 16 juli 2007 feitelijk daarover de beschikking heeft gekregen, zodat vanaf 27 september 2006 sprake is van in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB met betrekking tot een periode waarover eerder bijstand is verleend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. Het college heeft de intrekking op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB vanaf 16 juli 2007 niet beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 16 juli 2007 tot en met </para>
      <para>29 oktober 2008.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.6. Vast staat dat appellante het verkrijgen van haar aandeel in de nalatenschap van haar vader destijds niet heeft gemeld op het zogeheten rechtmatigheidsformulier over juli 2007. Daarmee heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Anders dan appellante betoogt is met het eerst later melding maken van de nalatenschap tijdens een huisbezoek op 15 april 2008 en in een gesprek met haar inkomensconsulent een week daarna, het schenden van de inlichtingenverplichting niet geheeld. </para>
    <para />
    <para>4.7. Appellante heeft wel gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt dat er zodanige schulden bestaan met daaraan verbonden een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling, dat er geen sprake is van oververmogen. Wat appellante daartoe heeft aangevoerd is onvoldoende. Artikel 34 van de WWB biedt geen grond om bij de vaststelling van het vermogen op het door appellante ontvangen bedrag uit de nalatenschap, de vervangingskosten van huisraad, de kosten van het aanschaffen van een vervoersmiddel, de kosten van een uitvaartverzekering en de kosten van een koopsompolis in mindering te brengen. Ten slotte biedt de WWB geen grondslag voor het in mindering brengen van de kosten in verband met ziekte bij de bepaling van het vrij te laten vermogen. Het college was derhalve bevoegd met ingang van 16 juli 2007 tot intrekking van de ten onrechte verleende bijstand van appellante over te gaan op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.8. Al het vorenstaande leidt ertoe dat het college bevoegd was met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste van de WWB over te gaan tot terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand over de periode van </para>
      <para>27 september 2006 tot 16 juli 2007 en op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB over de periode van 16 juli 2007 tot en met 31 augustus 2008.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.9. Het college voert het beleid dat van de bevoegdheid tot terugvordering gebruik wordt gemaakt tenzij sprake is van dringende redenen. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen in vorengenoemde zin. De opgevoerde (ziekte)kosten en gestelde schulden kunnen niet leiden tot het matigen of afzien van de terugvordering.</para>
    <para />
    <para>4.10. Voor zover appellante met haar grond, dat zij tijdens een huisbezoek van 15 april 2008 melding heeft gemaakt van de nalatenschap, nog heeft beoogd een beroep te doen op de zogeheten “zes-maanden-jurisprudentie” treft deze grond geen doel. Voor de toepassing daarvan is in beginsel geen plaats meer wanneer, zoals in dit geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.</para>
    <para />
    <para>4.11. Het hoger beroep van appellante slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en M. Hillen en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2012.</para>
    <para />
    <para>(get.) J.F. Bandringa.</para>
    <para />
    <para>(get.) R.L.G. Boot.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>