<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BV3154</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T12:37:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BV3154</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-02-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11-7526 WMO-VV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV3154">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV3154</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:36:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-02-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BV3154 Centrale Raad van Beroep , 08-02-2012 / 11-7526 WMO-VV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV3154:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door het college is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dat het college het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat de besluiten niet voldoende zijn gemotiveerd en met de opdracht van de rechtbank om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, is daarvoor onvoldoende. Niet gebleken is dat of waarom het college geen uitvoering zou kunnen geven aan de aangevallen uitspraak. Het standpunt van het college dat niet duidelijk is wat van hem bij het nieuw te nemen besluit wordt verwacht, deelt de voorzieningenrechter niet.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV3154:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>11/7526 WMO-VV</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Voorzieningenrechter</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para>	</para>
    <para>als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:</para>
    <para />
    <para>het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)</para>
    <para />
    <para />
    <para>in verband met het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>het college</para>
    <para> </para>
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 november 2011, 10/1894 (aangevallen uitspraak)</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>het college</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>[betrokkene], wonende te [woonplaats] (betrokkene)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 8 februari 2012</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Het college heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Het college heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2012. Betrokkene heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.G. van der Leest-van Lier en het college door W.G. Savelbergh.</para>
    <para> </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening en de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Zij volstaat hier met het volgende.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.1. Bij besluit van 24 juni 2010 heeft het college op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2009 aan betrokkene een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend om huishoudelijke hulp in te kopen voor de periode van 1 juli 2010 tot 1 september 2012. </para>
      <para>Het college heeft genoemde periode onderverdeeld in drie tijdvakken en heeft het pgb voor die periode op de volgende grondslag berekend:</para>
      <para>*van 1 juli 2010 tot 1 augustus 2010:	8.5 uur per week</para>
      <para>*van 1 augustus 2010 tot 1 september 2010:	6    uur per week</para>
      <para>*van 1 september 2010 tot 1 september 2012:	4    uur per week</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.2. Bij het bestreden besluit van 27 oktober 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 juni 2010 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 7 september 2011 waarbij aan betrokkene van 1 september 2011 tot 1 september 2012 een pgb voor huishoudelijke hulp op basis van 8.5 uur per week is toegekend. De rechtbank heeft de beroepen tegen het bestreden besluit en het besluit van 7 september 2011 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van betrokkene te nemen. Daarbij heeft de rechtbank - mede gelet op de eerdere indicatie ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) van 11 uur per week - geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom voor de periode van 1 september 2010 tot 1 september 2011 4 uur hulp in de huishouding is geïndiceerd en voor de periode van 1 september 2011 tot 1 september 2012 8.5 uur per week. </para>
    <para />
    <para>3. Het college heeft verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak totdat op het hoger beroep is beslist. </para>
    <para />
    <para>4. Naar aanleiding van dit verzoek overweegt de voorzieningenrechter het volgende.</para>
    <para />
    <para>4.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb en artikel 21 van de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.</para>
    <para />
    <para>4.2. De voorzieningenrechter stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 2 december 2003, LJN AO0764) de mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen, niet is bedoeld om door middel van zogenoemde "kortsluiting" de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.</para>
    <para />
    <para>4.3. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door het college is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Dat het college het niet eens is met het oordeel van de rechtbank dat de besluiten van 27 oktober 2010 en van 7 september 2011 niet voldoende zijn gemotiveerd en met de opdracht van de rechtbank om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, is daarvoor onvoldoende. Niet gebleken is dat of waarom het college geen uitvoering zou kunnen geven aan de aangevallen uitspraak. Het standpunt van het college dat niet duidelijk is wat van hem bij het nieuw te nemen besluit wordt verwacht, deelt de voorzieningenrechter niet. In de laatste inhoudelijke overweging van de aangevallen uitspraak is immers vermeld, waarom de motivering van de besluiten van 27 oktober 2010 en 7 september 2011 naar het oordeel van de rechtbank tekortschiet. </para>
    <para />
    <para>4.4. Ook anderszins is de voorzieningenrechter niet gebleken van een voor het college zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.</para>
    <para />
    <para>4.5. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.</para>
    <para />
    <para>5. Er is aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 437,-- voor verleende rechtsbijstand.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;</para>
      <para>Veroordeelt het college in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 437,--.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.M.T. Berkel-Kikkert, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 februari 2012.</para>
    <para />
    <para>(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.</para>
    <para />
    <para>(get.) J.M. Tason Avila.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>