<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BV2340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T12:04:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BV2340</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-6989 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV2340">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV2340</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:34:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-02-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BV2340 Centrale Raad van Beroep , 31-01-2012 / 10-6989 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV2340:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwzijing aanvraag bijzondere bijstand. De huurachterstand is in mei 2009 ontstaan, omdat het College de algemene bijstand uitbetaalt in de maand volgend op de maand waarop de betaling betrekking heeft. Geen dringende redenen. Appellant had destijds de mogelijkheid een betalingsregeling te treffen met de woningbouwvereniging en de huurachterstand van een maand in vier maanden af te lossen. Voorts heeft appellant ter zitting van de Raad verklaard dat hij nog immer een huurachterstand van een maand heeft en dat de woningbouwvereniging daarin geen aanleiding ziet om - al dan niet gerechtelijke - stappen jegens hem te ondernemen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV2340:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/6989 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 november 2010, 10/339 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 31 januari 2012</para>
    <para />
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Desgevraagd heeft het College de Raad een afschrift van de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) doen toekomen. </para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2011. Appellant is  verschenen, bijgestaan door mr. N.P.J. Frijns, advocaat te Maastricht. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. </para>
    <para />
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant ontvangt vanaf 10 april 2009 algemene bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20%.</para>
    <para />
    <para>1.2. Op 6 augustus 2009 heeft het College een aanvraag van appellant om bijzondere bijstand (een overbruggingskrediet) ontvangen in verband met de huurachterstand van een maand ten bedrage van € 403,16. Deze huurachterstand is in mei 2009 ontstaan, omdat het College de algemene bijstand uitbetaalt in de maand volgend op de maand waarop de betaling betrekking heeft. </para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 26 oktober 2009 heeft het College op deze aanvraag afwijzend beslist. Bij besluit van 5 februari 2010 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 oktober 2009 ongegrond verklaard. Aan het besluit op bezwaar ligt ten grondslag dat ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB geen recht op bijstand bestaat voor aflossing van een schuld en het College niet is gebleken van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB op grond waarvan in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand kan worden verleend.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 5 februari 2010 ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB heeft degene die bijstand aanvraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.2. Ingevolge artikel 49 van de WWB kan het college in afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel f, bijzondere bijstand verlenen:</para>
      <para>a. in de vorm van borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlenen van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een:</para>
      <para>1. gemeentelijk kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht;</para>
      <para>2. een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank dan wel daarmee geen relatie onderhoudt;</para>
      <para>b. indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.3. De Raad stelt vast dat appellant vanaf juni 2009 maandelijks de algemene bijstand heeft ontvangen, zodat hij in ieder geval vanaf die maand beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Derhalve heeft appellant ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel geen recht op bijstand voor aflossing van de huurachterstand die in mei 2009 is ontstaan. Voorts is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het bepaalde in artikel 49, aanhef en onder a, van de WWB niet van toepassing is en dat niet is gebleken van zeer dringende redenen als bedoeld in onderdeel b van dat artikel. Appellant had destijds de mogelijkheid een betalingsregeling te treffen met de woningbouwvereniging en de huurachterstand van een maand in vier maanden af te lossen. Voorts heeft appellant ter zitting van de Raad verklaard dat hij nog immer een huurachterstand van een maand heeft en dat de woningbouwvereniging daarin geen aanleiding ziet om - al dan niet gerechtelijke - stappen jegens hem te ondernemen. Dit betekent dat het College niet bevoegd was aan appellant bijzondere bijstand in de vorm van een overbruggingskrediet voor de huurschuld van een maand te verlenen.</para>
    <para />
    <para>4.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd. Daaruit volgt dat het verzoek van appellant om het College te veroordelen tot vergoeding van geleden schade niet voor toewijzing in aanmerking komt.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak;</para>
      <para>Wijst het verzoek om vergoeding van schade af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2012.</para>
    <para />
    <para>(get.) J.F. Bandringa.</para>
    <para />
    <para>(get.) M.C. Nijholt.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>