<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BV1911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-07-16T01:45:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BV1911</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-4698 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:HR:2013:BY7696" psi:type="http://psi.rechtspraak/cassatie" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg">Cassatie: ECLI:NL:HR:2013:BY7696</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV1911">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV1911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:33:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BV1911 Centrale Raad van Beroep , 23-01-2012 / 09-4698 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV1911:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking tegemoetkoming op grond van de Wet Kinderopvang. De Raad verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang. Het hoger beroepschrift zal, voor zover het op die tegemoetkoming betrekking heeft, worden doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Intrekking bijstand. Medeterugvordering. De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het College dat appellant en [L.] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd waarvan [L.] geen mededeling heeft gedaan aan het College. Aangezien appellant de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [L.] rekening had moeten worden gehouden en verder vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat [L.] de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen was het College bevoegd de kosten van de verleende bijstand mede van appellant terug te vorderen. Geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV1911:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/4698 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 13 juli 2009, 08/7575 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 23 januari 2012</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat te Hoorn, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft, samen met het onderzoek in de gevoegde zaak van A. [L.] (hierna: [L.]) tegen het College met reg. nr. 09/4727, plaatsgevonden op 12 juli 2011. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.G. van der Eijk, werkzaam bij de gemeente Purmerend. </para>
    <para />
    <para>De Raad heeft het onderzoek vervolgens heropend en een vraag aan appellant voorgelegd.</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft bij brief van 26 augustus 2011 daarop gereageerd.</para>
    <para />
    <para>De behandeling van de gevoegde zaken is voortgezet ter zitting van 12 december 2011. Appellant is, zoals te voren bericht, niet verschenen. Het College heeft zich opnieuw laten vertegenwoordigen door mr. Van der Eijk. </para>
    <para />
    <para>In de gevoegde zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Bij besluit van 2 mei 2008 heeft het College appellant meegedeeld dat uit een onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat hij vanaf 1 januari 2005 een gezamenlijke huishouding voert met [L.], dat [L.] dit heeft verzwegen en dat daardoor aan [L.] ten onrechte bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) en betalingen op grond van de Wet Kinderopvang zijn verstrekt over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2008. De uitkering die over deze periode aan [L.] ten onrechte is verstrekt bedraagt € 59.008,-- en het College vordert dit bedrag mede van appellant terug.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft het College het besluit van 2 mei 2008 na bezwaar gehandhaafd onder aanvulling van de motivering met de zin: “Bij separaat besluit d.d. 2 mei 2008 is mevrouw A. [L.] medegedeeld dat haar recht op uitkering met ingang van 1 januari 2005 is ingetrokken”.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2008 ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd. </para>
    <para />
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.</para>
    <para />
    <para>4.1. De tegemoetkoming Wet kinderopvang</para>
    <para />
    <para>4.1.1. De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak gedeeltelijk ziet op de terugvordering van de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang. In artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is onder meer bepaald dat een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep kan instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij tegen die uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven of het gerechtshof. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan, voor zover hier van belang, een belanghebbende bij de Raad beroep instellen tegen een uitspraak van de rechtbank inzake een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet. De Raad stelt vast dat de Wet kinderopvang daarin niet is opgenomen, zodat hij niet bevoegd is te oordelen over de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de terugvordering van de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang. Het hoger beroepschrift zal, voor zover het op die tegemoetkoming betrekking heeft, met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb worden doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
    <para />
    <para>4.2. De medeterugvordering van bijstand</para>
    <para />
    <para>4.2.1. De Raad stelt vast dat de in geding zijnde terugvordering van bijstand over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2008 € 57.680,47 bruto bedraagt.</para>
    <para />
    <para>4.2.2. De Raad dient te beoordelen of ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB. Daarin is bepaald dat indien de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende zijn inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, de kosten van bijstand mede kunnen worden teruggevorderd van degene met wiens middelen bij de verlening van de bijstand rekening had moeten worden gehouden. </para>
    <para />
    <para>4.2.3. Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat hij in de hier van belang zijnde periode met [L.] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB heeft gevoerd. </para>
    <para />
    <para>4.2.4. Onder verwijzing naar hetgeen de Raad in zijn uitspraak van heden (09/4727 WWB) ten aanzien van de intrekking met ingang van 1 januari 2005 van de aan [L.] verleende bijstand heeft overwogen (de rechtsoverwegingen 4.5 tot en met 4.7) is de Raad van oordeel dat de onderzoeksbevindingen een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van het College dat appellant en [L.] van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd waarvan [L.] geen mededeling heeft gedaan aan het College. </para>
    <para />
    <para>4.2.5. Aangezien appellant de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [L.] rekening had moeten worden gehouden en verder vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat [L.] de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is ten aanzien van appellant voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59, tweede lid, van de WWB, zodat het College bevoegd was de kosten van de over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 maart 2008 aan [L.] verleende bijstand tot een bedrag van € 57.680,47 mede van appellant terug te vorderen. De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Hetgeen appellant nog naar voren heeft gebracht omtrent een salaris van [L.] uit een persoonsgebonden budget (hierna: PGB) van haar zus ten tijde hier van belang, kan aan dit oordeel niet afdoen. De Raad merkt daarbij op dat de gemachtigde van appellant ter zitting van de rechtbank van 29 mei 2009 desgevraagd heeft verklaard de grief dat [L.] een salaris zou hebben ontvangen op grond van een met terugwerkende kracht toegekend PGB voor haar zus, te laten vervallen.</para>
    <para />
    <para>4.2.6. Uit hetgeen onder 4.2.1 tot en met 4.2.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang, voor bevestiging in aanmerking komt.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang;</para>
      <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover deze ziet op de tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.F. Bandringa en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2012.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) J.J.A. Kooijman.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) P.J.M. Crombach.</para>
    <para />
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.</para>
    <para />
    <para>ij</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>