<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2012:BV0613</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-21T21:05:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BV0613</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2012-01-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-704 WAO</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>RSV 2012/97</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV0613">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2012:BV0613</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:28:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-01-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2012:BV0613 Centrale Raad van Beroep , 11-01-2012 / 09-704 WAO</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV0613:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Intrekking hoger beroep door het Uwv. Veroordeling van het Uwv in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Geen mogelijkheid tot veroordeling van het Uwv tot vergoeding van de wettelijke rente. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig onder het besluit van het Uwv heeft geleden dat sprake was van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen. Wegens het vermoeden van schending van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase wordt het onderzoek heropend en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) als partij in die procedure aangemerkt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2012:BV0613:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/704 WAO </para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant)</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 18 december 2008, 07/291 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),</para>
    <para />
    <para>en </para>
    <para />
    <para>appellant.</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 11 januari 2012</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De Raad heeft in het geding tussen partijen op 29 juli 2011 een tussenuitspraak, </para>
      <para>LJN BR3784, gedaan (hierna: tussenuitspraak).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft appellant nader arbeidskundig onderzoek verricht en onder meer de volgende stukken ingezonden:</para>
      <para>- een arbeidskundig rapport van 8 september 2011;</para>
      <para>- een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) geldig op 13 juli 2006;</para>
      <para>- een Kritische Functionele Mogelijkheden Lijst geldig op 13 juli 2006. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 15 september 2011 heeft appellant een gewijzigd besluit op bezwaar van gelijke datum overgelegd waarbij de mate van betrokkenes arbeidsongeschiktheid per </para>
      <para>13 juli 2006 alsnog op 80 tot 100% is vastgesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Betrokkene heeft in reactie op het gewijzigd besluit op bezwaar de Raad meegedeeld dat hij met dit besluit kan instemmen. Vanwege de lange duur van de procedure verzoekt betrokkene de Raad om toekenning van een frustratievergoeding, vergoeding van wettelijke rente over de na te betalen WAO- uitkering en vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. </para>
    <para />
    <para>Vervolgens hebben beide partijen gereageerd en stukken overgelegd. </para>
    <para />
    <para>Bij brief van 25 oktober 2011 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken, in reactie waarop betrokkene een proceskostenformulier en bewijs van toevoeging heeft overgelegd.</para>
    <para />
    <para>Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven om een nieuw onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten. Gelet op de verleende toestemming heeft de Raad het onderzoek gesloten.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Artikel 21a, eerste lid, eerste volzin, van de Beroepswet bepaalt dat in geval van intrekking van het hoger beroep door het bestuursorgaan, het bestuursorgaan op verzoek van een partij bij afzonderlijke uitspraak met overeenkomstige toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden veroordeeld in de proceskosten. </para>
    <para />
    <para>2.1. De Raad stelt vast dat het Uwv het hoger beroep heeft ingetrokken en dat betrokkene heeft verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten in beroep en in hoger beroep. </para>
    <para />
    <para>2.2. De Raad constateert verder dat, nu het Uwv blijkens de aangevallen uitspraak reeds door de rechtbank is veroordeeld tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand in eerste aanleg, hier nog slechts de in hoger beroep gemaakte kosten ter beoordeling staan. </para>
    <para />
    <para>2.3. De Raad ziet aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten die betrokkene in hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.</para>
    <para />
    <para>3. Met betrekking tot het namens betrokkene gedane verzoek om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente overweegt de Raad dat artikel 21a van de Beroepswet niet de mogelijkheid biedt in hoger beroep, nadat het bestuursorgaan het hoger beroep heeft ingetrokken, toepassing te geven aan artikel 8:73 van de Awb. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 maart 2005, LJN AT3476. Betrokkene zal zich met het verzoek om vergoeding van renteschade dienen te wenden tot het Uwv. </para>
    <para />
    <para>4.1. Het verzoek van betrokkene om vergoeding van frustratieschade wordt door de Raad opgevat als een verzoek om vergoeding van immateriële schadevergoeding wegens door het bestreden besluit veroorzaakte psychische klachten. </para>
    <para />
    <para>4.2. Geestelijk letsel van een benadeelde kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon. Deze aantasting geeft overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), recht op een vergoeding van immateriële schade. Daarvan zal echter niet snel sprake zijn. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:106 van het BW moet immers worden afgeleid dat de wetgever hier het oog heeft gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat – zoals in dit geval – sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door het onrechtmatige besluit.</para>
    <para />
    <para>4.3. Naar het oordeel van de Raad heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat hij zodanig onder het besluit van appellant heeft geleden dat sprake was van geestelijk leed dat kan worden beschouwd als een aantasting van zijn persoon in de zin van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt afgewezen.</para>
    <para />
    <para>5.1. Door betrokkene is ten slotte gewezen op de lange duur van de procedure bij de Raad. Betrokkene heeft in dit kader een beroep gedaan op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en heeft de Raad verzocht om haar een schadevergoeding toe te kennen. </para>
    <para />
    <para>5.2. Mede in het licht van artikel 13 van het EVRM acht de Raad in artikel 21a van de Beroepswet geen beletsel gelegen om een verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn in deze procedure inhoudelijk te behandelen. </para>
    <para />
    <para>5.3. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt. </para>
    <para />
    <para>5.4. De aan de onderhavige zaak voorafgegane hoger beroepsprocedure is ingeleid met een besluit van 20 juli 2006, genomen ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het – tegen het besluit van 20 juli 2006 ingediende – bezwaarschrift van betrokkene op 9 augustus 2006 tot de datum van deze uitspraak zijn 5 jaar en 5 maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv iets meer dan een half jaar geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 1 maart 2007 tot de uitspraak op 18 december 2008 een jaar en ruim negen maanden geduurd en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 29 januari 2009 tot deze uitspraak op 11 januari 2012, bijna drie jaar geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.</para>
    <para />
    <para>5.5. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, met – voor zover nodig – verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 van de Awb, moet worden beslist omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn door de Raad. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 van de Awb merkt de Raad daarbij de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure. </para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING </para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep, </para>
    <para />
    <para>Recht doende: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad; </para>
      <para>Bepaalt dat het onderzoek onder nummer 12/219 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent het verzoek van betrokkene om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en T. Hoogenboom en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2012.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) H. Bolt.</para>
    <para>						</para>
    <para>(get.) Z. Karekezi.</para>
    <para />
    <para>NW</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>