<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BU9918</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T10:18:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BU9918</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-12-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-6880 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BU9918">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BU9918</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T09:26:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2012-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BU9918 Centrale Raad van Beroep , 22-12-2011 / 10-6880 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BU9918:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing verzoek de vastgestelde grondslag te herzien en deze vast te stellen op het beroep van advocaat in fulltime dienstverband. Geen nieuwe feiten en omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BU9918:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/6880 WUV</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats] (U.S.A.) (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 22 december 2011</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 23 september 2010, kenmerk BZ01184914 (hierna: bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2011. Daar is appellant, zoals aangekondigd, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank. </para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. </para>
    <para />
    <para>1.1. Appellant, geboren in 1934 in het voormalige Nederlands-Indië, is in 1977 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv.</para>
    <para />
    <para>1.2. Naar aanleiding van een vervolgaanvraag heeft verweerder bij na bezwaar genomen besluit van 31 mei 2001 aan appellant met ingang van 1 november 1998 een periodieke uitkering toegekend naar de in de Wuv bepaalde minimumgrondslag. Bij de vaststelling van de grondslag van de uitkering is uitgegaan van het inkomen dat appellant ten tijde van de aanvraag in Nederland uit het beroep van advocaat in parttime dienstverband zou hebben genoten. Tegen het besluit van 31 mei 2001 is geen beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>1.3. In november 2009 heeft appellant verweerder verzocht de vastgestelde grondslag te herzien en deze vast te stellen op het beroep van advocaat in fulltime dienstverband. Bij besluit van 26 april 2010, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dit verzoek afgewezen op gronden ontleend aan artikel 61 van de Wuv. </para>
    <para />
    <para>2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <para>2.1. Het onder 1.3 genoemde verzoek draagt, naar verweerder terecht heeft vastgesteld, het karakter van een verzoek om herziening van het onder 1.2 genoemde besluit. </para>
    <para />
    <para>2.2. Op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wuv is verweerder bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een eerder gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen inhoudt dat de Raad de wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt met terughoudendheid dient te toetsen. Hierbij staat centraal de vraag of appellant bij het verzoek om herziening dan wel in bezwaar feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die aan verweerder bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.</para>
    <para />
    <para>2.3. Van dergelijke gegevens is de Raad niet gebleken. Aan de overgelegde verklaring van de zoon [naam zoon], die het advocatenkantoor van appellant destijds heeft overgenomen, kan ook de Raad niet die waarde hechten die appellant daaraan gehecht wil zien. Zo verdraagt deze verklaring zich niet met de in 1999/2000 door diezelfde zoon afgelegde verklaringen, op basis waarvan destijds de grondslag is vastgesteld. Tegen die vaststelling van de grondslag heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend. </para>
    <para />
    <para>3. Gelet op het voorgaande kan het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan de onder 2.2 weergegeven toetsing van de Raad doorstaan. Het ingestelde beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep; </para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2011. </para>
    <para />
    <para>(get.) A. Beuker-Tilstra.</para>
    <para />
    <para>(get.) E. Heemsbergen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>