<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BS8908</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-30T03:09:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BS8908</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-09-06</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09-4879 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BS8908">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BS8908</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:48:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BS8908 Centrale Raad van Beroep , 06-09-2011 / 09-4879 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BS8908:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toeslag op bijstandsuitkering naar norm alleenstaande. De verordening biedt geen ruimte om in een situatie als van appellante een hogere toeslag dan 10% te verlenen. Een hoge kamerhuur op zichzelf is geen omstandigheid die een hogere toeslag rechtvaardigt. Geen bijzondere omstandigheden.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BS8908:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>09/4879 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 17 juli 2009, 09/1289 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellante</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Velsen (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 6 september 2011</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellante heeft H.M. de Roo, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.</para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 10/2050 WWB, plaatsgevonden op 26 juli 2011, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoor van mr. De Roo en waar het College zich, zoals tevoren bericht, niet heeft doen vertegenwoordigen.</para>
    <para />
    <para>Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1. Appellante heeft op 2 september 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd voor haarzelf en haar minderjarige dochter. Volgens opgave van appellante huurde zij voor € 300,-- per maand een kamer van [naam hoofdbewoner], hoofdbewoner van de woning aan de [adres 1] te [naam gemeente]. </para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft het College aan appellante met ingang van 15 september 2008 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder, met een toeslag van 10%. </para>
    <para />
    <para>1.3. Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 oktober 2008 gegrond verklaard, voor zover het de ingangsdatum betreft. Het College heeft de bijstand met ingang van 15 februari 2008 toegekend en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Het College heeft daarbij onder meer zijn standpunt gehandhaafd dat appellante niet in aanmerking komt voor de maximale toeslag van 20%, maar voor een toeslag van 10%, omdat zij de woonkosten zou kunnen delen met hoofdbewoner [naam hoofdbewoner].</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het beroep van appellante tegen het besluit van 20 januari 2009 is beperkt tot de hoogte van de toeslag. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd. </para>
      <para>4. De Raad komt mede naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht tot de volgende beoordeling.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2006 (hierna: verordening) bedraagt de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de verordening bedraagt die toeslag 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben. In laatstgenoemde situatie wordt er volgens de toelichting op die bepaling van uitgegaan dat bepaalde kosten met een ander kunnen worden gedeeld (bijvoorbeeld huur- en energiekosten), waarbij het niet van belang wordt geacht of de uitkeringsgerechtigde de kosten daadwerkelijk deelt. Volgens het College is dit de situatie die ten tijde als hier van belang op appellante van toepassing was. </para>
    <para />
    <para>4.2. Zoals uit de toelichting op artikel 3, tweede lid, van de verordening onder meer blijkt, wordt bij huur van een kamer van een kamerverhuurbedrijf de kamer als een zelfstandige wooneenheid aangemerkt en bestaat er recht op de maximale toeslag van 20% van de gehuwdennorm.</para>
    <para />
    <para>4.3. Volgens appellante is haar woonsituatie precies gelijk aan die van een bewoner van een kamerverhuurbedrijf en onderscheidt die situatie zich in zoverre van de situatie van woningdelers dat appellante een bedrag aan gas en elektra aan de hoofdbewoner betaalt en dat appellante geen schaalvoordelen kent. Appellante komt naar haar mening dan ook in aanmerking voor de maximale toeslag van 20%. </para>
    <para />
    <para>4.4. Naar het oordeel van de Raad treft deze grond van appellante geen doel. Door appellante wordt immers niet betwist dat er in de betreffende woning geen andere kamerhuurders dan appellante waren en dat zij gebruik kon maken van de overige voorzieningen in de woning, zoals de keuken, de douche en het toilet. In de door appellante gehuurde kamer waren dergelijke voorzieningen niet aanwezig, zodat niet van een zelfstandige wooneenheid kan worden gesproken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.5. Naar het oordeel van de Raad biedt de verordening ook overigens geen ruimte om in een situatie als van appellante een hogere toeslag dan 10% te verlenen, tenzij sprake is van een geval waarop de in artikel 7 van de verordening vervatte hardheidsclausule ziet.</para>
      <para>De Raad is van oordeel dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar omstandigheden zodanig bijzonder zijn dat het College op grond van artikel 7 van de verordening bevoegd is af te wijken van het bepaalde in artikel 3 van de verordening. Evenmin is de Raad gebleken dat het College de aan appellante verleende bijstand onvoldoende heeft afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WWB. De hoogte van de all-inhuur van € 300,-- per maand waarop in dit verband door appellante is gewezen, komt de Raad niet bovenmatig voor. Overigens heeft de Raad reeds eerder geoordeeld - zie de uitspraak van 28 juni 2011, LJN BR0584 - dat een hoge kamerhuur op zichzelf geen omstandigheid is die een hogere toeslag rechtvaardigt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4.5. Hetgeen appellante overigens in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad geen aanleiding gegeven tot een andersluidend oordeel te komen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. </para>
    <para />
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 september 2011.</para>
    <para />
    <para>(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) R.L.G. Boot.</para>
    <para />
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>