<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BR1575</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-29T18:03:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BR1575</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-07-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-6375 WWB</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#hogerBeroep">Hoger beroep</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BR1575">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BR1575</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:31:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BR1575 Centrale Raad van Beroep , 12-07-2011 / 10-6375 WWB</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BR1575:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Terugvordering verstrekte voorschotten. Eigenaar van  onroerende zaken. Schending inlichtingenverplichting.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BR1575:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/6375 WWB</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Enkelvoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>op het hoger beroep van:</para>
    <para />
    <para>[Appellant] wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 oktober 2010, 09/2901 (hierna: aangevallen uitspraak),</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>appellant</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch (hierna: College)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 12 juli 2011</para>
    <para> </para>
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Namens appellant heeft mr. B.G.M. de Ruijter, advocaat te Tilburg, hoger beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>Het College heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd de zaak met reg.nr. 10/5912 WWB, plaatsgevonden op 10 mei 2011. Voor appellant is verschenen mr. Y.E.Y. Vermeulen, kantoorgenoot van mr. De Ruijter. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.</para>
    <para />
    <para>1.1. Op 31 december 2008 heeft appellant een aanvraag ingediend om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand. Bij besluit van 23 maart 2009 heeft het College de aanvraag afgewezen en de verstrekte voorschotten tot een bedrag van € 75,-- van appellant teruggevorderd. </para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 22 april 2009 heeft het College het tegen het besluit van 23 maart 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat is komen vast te staan dat appellant feitelijk (mede-)eigenaar is van onroerende zaken in het buitenland. Door hierover geen inlichtingen te verschaffen heeft appellant naar het oordeel van het College de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden op grond waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.</para>
    <para />
    <para>2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 april 2009 ongegrond verklaard. </para>
    <para> </para>
    <para>3. Appellant heeft zich tegen deze uitspraak gekeerd. Daarbij voert hij aan geen (mede-)eigenaar te zijn van de onroerende zaken. Het standpunt van het College dat hij eigenaar is van de onroerende goederen acht appellant door het College onvoldoende onderbouwd. Het College had naar de mening van appellant het Internationaal Bureau Fraudeinformatie (hierna: IBF) moeten inschakelen voor het doen van onderzoek naar het eigendom van de onroerende goederen en de waarde daarvan. </para>
    <para> </para>
    <para>4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. </para>
    <para />
    <para>4.1. De Raad stelt vast dat uit strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat appellant eigenaar was van onroerende zaken in Marokko. In een gerechtelijke machtiging van de 2? onderzoekskamer van de rechtbank voor Hoger Beroep te Kenitra in Marokko van 25 april 2007 is op basis van onderzoek in het kadastrale register en de belastingadministratie vastgesteld dat appellant feitelijk eigenaar is van twee onroerende zaken aan het Moulay Bouselhamstrand te Souk Arbaa Algharb en ook mede-eigenaar (voor 50%) is van een onroerende zaak te Kenitra. </para>
    <para />
    <para>4.2. In een reactie op voornoemde onderzoeksbevindingen heeft appellant, blijkens het rapport van de sociale recherche van 23 maart 2009, gesteld geen eigenaar te zijn van de onroerende zaken. Daarbij heeft hij meegedeeld dat hij niet als eigenaar in het kadaster staat geregistreerd en dat hij verder wenst te zwijgen. </para>
    <para />
    <para>4.3. De Raad stelt op basis van de processen-verbaal van de regionale politie te Kenitra van 1 maart 2007 vast dat appellant niet geregistreerd staat in het kadastrale register van Souk Arbaa Algharb. Nu blijkens informatie van het IBF registratie van eigendom van onroerende zaken in het kadaster in Marokko niet verplicht is, kan hiermee echter niet worden vastgesteld dat appellant geen eigenaar is van de onroerende zaken in Souk Arbaa Algharb. Daarbij merkt de Raad voorts op dat de processen-verbaal van 1 maart 2007 zijn opgemaakt in opdracht van de 2e onderzoekskamer van genoemde rechtbank die hierin geen aanleiding heeft gezien om appellant niet aan te wijzen als eigenaar van de betreffende onroerende zaken. Over het eigendom van de onroerende zaak in Kenitra zijn voorts geen kadastrale gegevens bekend. Appellant heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de in de gerechtelijke machtiging opgenomen onderzoeksbevindingen ten aanzien van de hier relevante periode niet (meer) juist zouden zijn. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.4. Het standpunt van appellant dat het College onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het eigendom van meergenoemde onroerende zaken, waarbij ook is gesteld dat het College het IBF voor dit onderzoek hadden moeten inschakelen, merkt de Raad op dat het hier gaat om een aanvraag van bijstand, zodat het op de weg ligt van appellant om feiten te stellen en zonodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat hij recht heeft op bijstand. Daarbij stelt de Raad vast dat appellant wel de gelegenheid heeft gehad om over het eigendom van de onroerende zaken gegevens te verzamelen, nu hij blijkens de gedingstukken ten tijde van de behandeling van zijn beroep ter zitting van de rechtbank </para>
      <para>’s-Hertogenbosch in Marokko heeft verbleven. Dat appellant geen gegevens heeft overgelegd, bevreemdt temeer nu hij in bezwaar heeft aangevoerd te kunnen bewijzen dat hij geen eigenaar is van de onroerende zaken, maar dat hij daarvoor wel naar Marokko moest afreizen, hetgeen voor hem ten tijde van het bezwaar in verband met zijn elektronische detentie nog niet mogelijk was.</para>
    </parablock>
    <para> </para>
    <para>4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep;</para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Bevestigt de aangevallen uitspraak.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2011.</para>
    <para />
    <para>(get.) J.F. Bandringa.</para>
    <para />
    <para />
    <para>(get.) N.M. van Gorkum.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>