<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9008</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-29T15:42:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2013-04-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">BQ9008</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Centrale_Raad_van_Beroep" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Centrale Raad van Beroep</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2011-06-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10-1039 WUV</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9008">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9008</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2013-04-05T08:23:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2011-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9008 Centrale Raad van Beroep , 09-06-2011 / 10-1039 WUV</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9008:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag voor onder meer een periodieke uitkering. Niet is vast komen te staan dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:CRVB:2011:BQ9008:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
    <para>10/1039 WUV</para>
    <para />
    <para>Centrale Raad van Beroep</para>
    <para />
    <para>Meervoudige kamer</para>
    <para />
    <para>U I T S P R A A K</para>
    <para />
    <para>in het geding tussen:</para>
    <para />
    <para>[Appellant], wonende te [woonplaats], Indonesië, (hierna: appellant),</para>
    <para />
    <para>en</para>
    <para />
    <para>de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)</para>
    <para />
    <para>Datum uitspraak: 9 juni 2011</para>
    <para />
    <para>I. PROCESVERLOOP</para>
    <para />
    <para>Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.</para>
    <para />
    <para>Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 november 2009, kenmerk BZ 48642, JZ/T60/2009. Dit besluit is genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wuv), verder: bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2011. Daar zijn namens appellant verschenen zijn zusters [naam zuster 1] en [naam zuster 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.</para>
    <para />
    <para>II. OVERWEGINGEN</para>
    <para />
    <para>1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.</para>
    <para />
    <para>1.1.Appellant, geboren in 1944 in het voormalig Nederlands-Indië, heeft in november 2008 bij verweerder een aanvraag ingediend om op grond van de Wuv in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering.</para>
    <para />
    <para>1.2. Bij besluit van 29 juni 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder op de aanvraag afwijzend beslist. Daartoe is overwogen, samengevat, dat appellant tijdens de Japanse bezetting van het voormalige Nederlands-Indië geen vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Tevens heeft verweerder aangegeven dat appellant niet voldoet aan de in artikel 3 van de Wuv opgenomen nationaliteitseis.</para>
    <para />
    <para>1.3. In beroep heeft appellant aangegeven dat hij onder slechte omstandigheden heeft verbleven in het Soemobito-kamp. Verder verzoekt hij als gewezen inheemse Nederlander die niet erkend is als Nederlander om begrip voor zijn situatie. </para>
    <para />
    <para>2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.</para>
    <para />
    <para>2.1. De Raad merkt op dat verweerder in het bestreden besluit als ook in het verweerschrift melding maakt van het Soekaboemi Opvoedingsgesticht (SOG) als de plaats waar appellant zou hebben verbleven. Zoals namens verweerder tijdens het verhandelde ter zitting is aangegeven berust dit op een verschrijving en dient daar voor in de plaats te worden gelezen kamp Soemobito. Aangezien verweerder een mogelijk verblijf in het kamp Soemobito wel heeft onderzocht, hoeft deze - voor appellant toch wel uiterst storende - verschrijving op zich niet tot vernietiging van het bestreden besluit te leiden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.2. Op grond van artikel 2 van de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees gezinde instelling, welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd.</para>
      <para>Op grond van artikel 3 van de Wuv geldt voor appellant, die de Indonesische nationaliteit heeft, als bijkomend vereiste dat hij tijdens de oorlogsjaren Nederlander moet zijn geweest.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2.3. Naar aanleiding van het door verweerder ingesteld - zorgvuldig te noemen - onderzoek is onder meer informatie verkregen van het Nederlands Rode Kruis (NRK) en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen. Verder heeft verweerder de voorhanden zijnde dossiers van de vader en de broer van appellant geraadpleegd. Op grond van de aldus verkregen informatie moet ook de Raad vaststellen dat geen bevestiging ervan is verkregen dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan. Wel komt uit de informatie van het NRK naar voren dat appellant tijdens de zogenoemde, na-oorlogse, Bersiap-periode in kamp Soemobito heeft verbleven, maar die periode valt buiten het toepassingsbereik van de Wuv. Voorzover namens appellant ter zitting is betoogd dat appellant ook tijdens de Japanse bezetting wel in kamp Soemobito heeft verbleven, merkt de Raad op dat dit kamp tijdens de Japanse bezetting dienst heeft gedaan als opvangkamp. Een verblijf in een opvangkamp alsmede het aldaar hebben moeten leven onder slechte en erbarmelijke omstandigheden kunnen niet onder de werking van de Wuv worden gebracht. De Wuv biedt namelijk geen mogelijkheid om op andere gronden dan omschreven in artikel 2 erkenning als vervolgde te verlenen.</para>
    <para />
    <para>2.5. Nu niet is komen vast te staan dat appellant vervolging in de zin van de Wuv heeft ondergaan, behoeft hetgeen verweerder volledigheidshalve in het bestreden besluit heeft aangevoerd met betrekking tot de nationaliteit van appellant geen bespreking meer.</para>
    <para />
    <para>3. Gezien het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte standhouden en dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <para>4. Gezien de onder 2.1 omschreven omstandigheden ziet de Raad in beginsel aanleiding terugbetaling griffierecht te gelasten, echter omdat dit recht al bij voorbaat door PUR is betaald, is verdere uitvoering niet nodig.</para>
    <para />
    <para>5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. </para>
    <para />
    <para>III. BESLISSING</para>
    <para />
    <para>De Centrale Raad van Beroep; </para>
    <para />
    <para>Recht doende:</para>
    <para />
    <para>Verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2011.</para>
    <para />
    <para>(get.) A. Beuker-Tilstra.</para>
    <para />
    <para>(get.) M.C. Nijholt.</para>
    <para />
    <para>HD</para>
  </uitspraak>
</open-rechtspraak>